Vrijdag 4 januari 1918

Ik wil dit schriftje afsluiten met enkele bedenkingen over AFRIKA en de Afrikanen, zoals ik die zie in de huidige omstandigheden.

Iedereen leeft hier met zichzelf en in zichzelf teruggetrokken, het is ongetwijfeld het gevolg van het isolement waarin men zich gedurende maanden beweegt. De individuele karaktertrekken van eenieder, gevormd door zijn verleden en heden, komen scherper tot uiting. De énen trachten hun ideaal van dronkenschap en ondeugden tot de perfectie te drijven, de anderen vervolmaken zich in goedheid, niet gehinderd door sociale overwegingen die hun inzichten zouden kunnen vertroebelen… Wanneer ze ooit terug naar huis zullen keren, dan gaan beide categorieën van mensen er opvallen door hun extravagantie: de eersten door raffinement van verwilderde zeden, de tweeden door de originele gevoeligheid van hun ideeën en gevoelens.

Voor het ogenblik stel ik me de vraag of het verantwoord is, dat een Europeaan, die naar hier is gekomen om oorlog te voeren in Afrika, hier nog langer zou blijven.

Wat gebeurt er op dit ogenblik?

  1. Diegenen die echt ziek zijn, en beseffen dat een langer verblijf in AFRIKA wel eens hun dood zou kunnen betekenen, vragen om te kunnen terugkeren naar EUROPA.
  2. Ook diegenen die daartoe een speciale reden hebben, zoals huwelijk of bevordering vragen het eveneens.

Zullen alleszins onmiddellijk terugkeren bij demobilisatie:

1. Diegenen die om een heleboel redenen AFRIKA een niet te harden  land  vinden en die heimwee hebben naar EUROPA, het gaat dan meestal om mensen die nog niet lang hier zijn.

2. Diegenen die willen vermijden   dat   men   zou   denken   dat ze in AFRIKA willen onderduiken. De meesten hiervan hopen in EUROPA een uitvlucht te kunnen vinden,  bijvoorbeeld het feit dat ze reeds 3 1/2 jaar oorlog waarvan 2 jaar in de tropen, achter de rug hebben, om niet meer naar het front te moeten. (ze zeggen dat niet, maar in stilte hopen ze daarop).

Dan zullen er ook zijn die naar het front zullen gaan :

  1. zonder enige bijbedoeling omdat ze vinden dat dat hun plicht is,
  2. om te trachten er een paar maanden te blijven om zo de schijn te redden, en om dan te vragen terug naar de Kolonie te mogen vertrekken.

Van al wie ten minste 2 jaar CONGO achter de rug hebben, zullen er 7 op 10 naar CONGO terugkeren, de énen uit eigenbelang of om er een carrière uit te bouwen, de anderen omdat ze gewoon heimwee hebben naar dit land. Allemaal evenwel zullen met spijt terugdenken aan het ongebonden leven in een zonovergoten land, ver van de steden met hun verstikkende uitwassen van de beschaving en hun bittere en bedrieglijke sociale relaties.

Dinsdag 1 januari 1918

Samen met DALCQ heb ik een bijeenkomst georganiseerd voor de dokters van KILOSA. We waren met 11, het is een studentikoze bedoening geworden, naar mijn gevoel, een succes.

Afgezien daarvan gaat het leven in KILOSA zijn eentonig onbelangrijk gangetje. Ik doe vaccinaties tegen tyfus en tegen pokken. In DAR ES SALAAM is de directeur van financiën aan die ziekte gestorven. De verloven worden opgeschort.

Zaterdag 22 december 1917

Eergisteren, de 20e zijn we aangekomen in KILOSA. De plaats zit boordevol militairen, 6.000 soldaten, en nog eens evenveel dragers van de Belgen. Er heerst dan ook een buitengewoon drukke bedrijvigheid aan de oever van de rivier, waar iedereen gaat zwemmen. De drukte is niet geringer in de straten, voor de ontelbare winkeltjes van de Hindoes. De Hindoevrouwen, gedrapeerd in mooie nieuwe roze, blauwe en scharlaken rode stoffen, spreiden trots hun pas verworven rijkdom ten toon. Heel dat spektakel, die menigte, die drukte, het brengt het hoofd van onze sukkelaars, die gedurende zovele kilometers niet anders gezien hebben dan een troosteloze brousse, danig op hol.

Gisteren heb ik gedineerd met GERARD en LEJEUNE. Vandaag worden op plechtige wijze, voor de aangetreden brigade, de eretekens uitgedeeld.

Ik krijg “mijn Leeuw” opgespeld.

Volgens de pers is er een wapenstilstand op het Russisch front. De Duitsers voeren aanvallen uit om het westelijk front te testen. De Italianen schijnen goed stand te houden. PALESTINA is in onze handen.

Besluit: we moeten ons heil zoeken in een vredesbestand met TURKIJE, zo krijgen we CONSTANTINOPEL. Maar dat zal wel niet van een leien dakje lopen!

 

Dinsdag 18 december 1917

We zijn nu in ULEA. Wat kijk ik er verlangend naar uit om eens absolute rust te hebben, 14 dagen, zonder zieken, zonder safari. Officieren en onderofficieren hebben nog maar weinig om handen sinds het einde van de oorlogsoperaties. Voor mij ziet het er heel anders uit: op het einde van de etappe heb ik nauwelijks de tijd om een bad te nemen, te eten, eventjes te rusten, en dan kan ik beginnen aan doktersbezoek van de zwarten en daarna van de Europeanen. Dat vult mijn verdere dag tot laat in de avond, dan eet ik nog gauw wat en ga slapen, want ‘s anderendaags moet ik alweer om 5 u. op, en de vermoeidheid doet zich voelen. Ik droom dus weer van een rustig leventje … voor hoelang echter?

 

Zaterdag 15 december 1917

Aangekomen in KIKUMI. KIKUMI was het uitgangspunt van ons offensief, het was destijds bezet door Hindoes, ze hadden het 1e cavalerie regiment van de Zuid Afrikanen afgelost in KIDODI, maar waren meteen teruggeslagen tot hier. Langs de weg liggen de geraamten van dode paarden als gezaaid. Het genoemde regiment was in rechte lijn van de KILIMANDJARO gekomen. Gedurende 8 maand hebben die ruiters het moeten doen met als enige bagage een tentzeil, en het rantsoen was nog dikwijls tot 1/4 van het normale herleid. Dat deze Boeren, gedégouteerd  door  de behandeling die ze hebben ondergaan, bij hun thuiskomst de Shout African Party de rug zullen keren en aansluiten bij de nationalisten lijdt niet de minste twijfel.

De blanke Rhodesische troepen, allemaal vrijwilligers, zijn nooit in de watten gelegd. Ze moesten het stellen met 1 drager voor 2 Europeanen, en het hele seizoen hebben ze onder de blote hemel moeten slapen. Van de drie compagnies vrijwilligers zijn maar 50 man overgebleven. Alle anderen zijn ten prooi gevallen aan koorts en ziekten. In al die aspecten blijkt nog maar eens hoe de Britten mensen en middelen op een schandelijke en onbegrijpelijke wijze verspillen. In vergelijking met die Rhodesiërs is elk onderofficiertje van bij ons, met zijn nieuwe tent en zijn 10 dragers een echte koning vergeleken met een kolonel die een Britse colonne beveelt. De Britten, met hun rudimentaire uitrusting op gebied van kledij en hun bijna onbestaande keukenbatterij, slaan tegenover de Belgen, die als prinsen reizen, maar een pover figuur. Met nochtans veel minder mensen en nog veel minder financiële middelen heeft ons systeem tot heel wat betere resultaten geleid.