Maandelijks archief: september 2014

Woensdag 30 september 1914

Na een verkwikkende nacht worden we om 5u gewekt. Onmiddellijk gaan we de loopgrachten in achter het fort. De dagorders spreken van een ernstige aanval van de lijn WAELEM – St. KATELIJNE-WAVER – WILLEBROECK. “Wie ook van de manschappen, hetzij generaal, kolonel of majoor tot soldaat, erop betrapt wordt te wijken, zonder daartoe het bevel gekregen te hebben, die zal onmiddellijk worden gefusilleerd!”. De toestand lijkt dus inderdaad bijzonder ernstig. Vanuit de forten en de artilleriebatterijen die achter de eerste lijn staan opgesteld, wordt onophoudelijk gevuurd. We blijven op onze stellingen. Rond 13u komt het bericht dat de toestand gunstig evolueert. De vijandelijke troepen waren deze nacht vrij dicht tot bij de forten genaderd, maar ze moeten zich nu terugtrekken. Naarmate het uur vordert, vermindert het kanonvuur in intensiteit.

Rond 17u worden het 1e en het 2e peloton van onze compagnie naar de loopgrachten gestuurd, vóór het fort gelegen. Het fort wordt nu aangevallen door zwaar vijandelijke geschut, van heel ver al hoort men de obussen met een vervaarlijk geronk aankomen. Met een donderend geraas ontploffen ze achter het fort. Zowel het fort als de artilleriebatterijen beantwoorden het vuur, een echte hel! Rond 20u, mag het 3e peloton dat niet mee naar vóór was gegaan, terugkeren naar zijn kantonnement.

Dinsdag 29 september 1914

De zon komt vroeger op dan verwacht. We krijgen beter weer. Tijdens de eerste uren van de dag wordt er wat over en weer geschoten. Sergeant WERCHIFOSSE komt er mee pochen dat hij een schildwacht heeft neergeschoten. Een half uur later, brengt men op twee geweren gedragen, diezelfde sergeant terug met een kogel in de zij. Hij is stervend. Hij wordt snel begraven op het nabij gelegen kerkhof. Rond 8u ontploffen er aan onze rechterkant plots een aantal schrapnels, juist boven de loopgraven. Ze komen van het vijandelijk geschut, dat een 300 à 400 m. vóór ons is opgesteld. De beschieting duurt zo een 5 à 10 minuten. Het vuren gebeurt in zeer snel tempo en de richting ervan verplaatst zich naar links, naar ons toe dus. We krijgen bevel om ons terug te trekken, het was meer dan tijd! De schrapnels kwamen eraan! Een aftocht is altijd een trieste en gevaarlijke onderneming. Dank zij luitenant HAMIS, een moedig en bekwaam officier, die de broer is van de eerste luitenant die we hadden, verloopt alles in goede orde. We trekken ons terug in vlagen, en telkens over korte afstanden, terwijl de schrapnels ons omzeggens op de voet volgen. Zoveel als mogelijk zoeken we dekking achter gebouwen en hooimijten. Na enige tijd moeten we terug naar vóór oprukken om er de 2e lijn van loopgrachten te bemannen. De vijand heeft ongetwijfeld het terrein goed verkend want nauwelijks zijn we er aangekomen of een volle laag mijngranaten drijft ons alweer achteruit. Driemaal na mekaar rukken we op, en driemaal na mekaar komen de schrapnels ons achterna. Scherven, nog warm van de ontploffing, liggen overal om ons heen. Kolonel JACQUES die poolshoogte is komen nemen, toont ons de onderkant van een projectiel dat op 1 m. langs zijn hoofd vloog. Heel de lijn wordt ontruimd. Het begint weer te regenen. Het bataljon wordt gehergroepeerd voorbij BREENDONCK. Onze verliezen blijken beperkt: drie doden en enkele gekwetsten. De tweede compagnie daarentegen heeft enorme verliezen geleden, dat is ook het geval voor 3/III (3e comp. v.h. 3e bat?) De gekwetsten komen voorbij, een jong officier zit stil te wenen, zijn vriend is gesneuveld. We zetten ons weer op weg. Het hele regiment verzamelt in WILLEBROECK. We eten wat, we slapen wat, we vertellen mekaar ons wedervaren, en intussen … zitten we te wachten om alweer verder te trekken. Plots komt onze artillerie in gestrekte draf voorbij gereden, ze worden achterna gevolgd door een regen van schrapnels, en wij krijgen de volle laag. Op een paar minuten tijd stuiven we als mussen uiteen. Voor de doorgang van de prikkeldraadversperring verdringen infanteristen zich samen met een menigte vluchtelingen, tussen de aftrekkende kanonnen en munitiewagens. Eens daar voorbij komt men terug tot kalmte, en het regiment wordt geïnstalleerd in SAUVEGARDE. Drie uur lang blijven we ter plaatse, op een drassig terrein, het water staat in onze bottines. Bij het vallen van de avond, komt het 9e regiment eraan vanuit St KATELIJNE WAVER, en wij krijgen bevel te vertrekken. Naar het schijnt zouden wij de loopgrachten achter de eerste lijn gaan bemannen, en dat terwijl iedereen uitgeput is. Per ongeluk worden we de verkeerde weg opgestuurd, en zo komen we terecht in  WILLEBROECK,  dat nog maar pas gebombardeerd werd. De wegen zitten dan ook vol met vluchtelingen. We keren op onze stappen terug en nemen de weg die we deze namiddag volgden. Tot mijn grote verrassing worden we een uur later geïnstalleerd in een kantonnement vlak bij het fort. Het is intussen 21u30 geworden. Na nog een forse maaltijd leg ik mij te rusten. Het kanongebulder is niet uit de lucht.

Maandag 28 september 1914

Om 5u gewekt, krijgen we niet eens de tijd om te eten of om ons te wassen. Onmiddellijk moeten we de baan op. Al snel bereiken we BREENDONCK. De kerk heeft er fel geleden. Ter hoogte van LONDERZEEL stoppen we. Hier moeten we ons verschansen. Met man en macht wordt gedurende een uur aan die verschansing gewroet. Wanneer het werk dan eindelijk klaar is, verschijnen er twee gendarmes die ons het bevel brengen nog verder op te rukken. Duizend meter verder is het hetzelfde liedje. Opnieuw worden loopgrachten gegraven. Het komt er op aan door te werken, want het duurt inderdaad niet lang voor het geweervuur losbarst! Gelukkig is het vals alarm. Het is intussen 14u30 geworden en gelaten wachten we in de loopgrachten het verder verloop van de gebeurtenissen af. Er is ook geschut met ons meegekomen, en dat beschiet nu en dan de vijand. Er komt van die kant geen enkele reactie. Het begint zachtjes te regenen. Iedereen zit veilig in de loopgrachten die nu volledig zijn afgewerkt. Het is koud, en we mogen volstrekt niet bewegen, nog zelfs het puntje van de neus niet tonen, want dat zou de aandacht van de vijandelijke artillerie kunnen trekken. We nemen enkele patrouilles onder vuur, die op hun beurt maar slapjes reageren. Er worden dan vooruitgeschoven schildwachten uitgezet. De avond valt snel, eenieder krijgt een bussel stro, en kruipt er zo diep mogelijk mee in de loopgracht. Het is erg koud en nat, we klappertanden, de rillingen lopen ons over de rug, en het gehoest is niet uit de lucht. Op een gegeven ogenblik word ik bruusk wakker gemaakt door sergeant VAN L…, niettegenstaande alles was ik toch aan het zwijmelen gegaan! Hij heeft 7 man nodig om de post te gaan aflossen die in het bos links van ons is uitgezet. Het is een gevaarlijke opdracht, want men is er niet in gelukt verbinding te krijgen met de compagnie die naast ons zou moeten liggen. Er is dus gevaar voor een omsingelingsbeweging vanwege de vijand, te meer omdat de omstandigheden daarvoor zeer gunstig zijn: het is een pikdonkere nacht, men ziet geen steek voor zijn ogen. We gaan met veel omzichtigheid vooruit. Eens ter plaatse gekomen, worden drie schildwachten, waaronder ikzelf uitgezet. Gezeten achter een dikke boom van een machtige dreef, houd ik de bosjes rechts van mij in het oog, en ook de grote weide vóór en links van mij. Achter die weiden bevindt zich een donker bos. Nu en dan ontploft er met een luide knal een schrapnel aan de rand van het bos. Wanneer men zo onbeweeglijk op de uitkijk staat, de blik strak op de omgeving gericht, dan beginnen op de duur kleuren  en vormen samen te vloeien en wordt het zicht troebel. Door het ingespannen luisteren versmelten de geluiden tot één enkel en continu geruis. Die intense inspanning is uitermate vermoeiend. Na één à twee uur worden we afgelost. Dat is nog maar pas gebeurd wanneer er twee schoten weerklinken. De schildwacht, een grote bangerik meent een schaduw gezien te hebben, en heeft erop geschoten. Hij stelt voor onmiddellijk de aftocht te blazen. Iedereen schijnt daarmee akkoord. Ik heb goed te beweren dat zoiets belachelijk, en zelfs niet zonder gevaar is, toch geeft de sergeant het bevel om te vertrekken. Ik blijf een beetje achter, om te zien wat er gaat gebeuren. Op een gegeven ogenblik moet ik in een klein bosje een gracht oversteken. Ik schuif daarbij tot aan mijn knieën in het water, en mijn “pince-nez” valt af. Intussen zijn de anderen mij al ver voor. Hoe ik ook de grond aftast rondom mij, mijn “pince-nez” blijft onvindbaar in het donker. Na nog een tuimeling bereik ik gelukkig de grote baan. Ik neem er de tijd om mij even neer te zetten en van kousen te veranderen. Even later vind ik mijn makkers terug in de loopgracht. De luitenant heeft de mannen van de wachtpost intussen teruggestuurd naar hun stelling en ze zijn reeds vertrokken. Zonder “pince-nez” moet ik er niet aan denken om hen achterna te gaan. De rest van de nacht blijf ik dus maar in de loopgracht. Het is er doordringend koud, het regent en we  vallen om van de slaap. Zowel links als rechts van ons laaien er branden op.

Zondag 27 september 1914

Na een rustige nacht zetten we ons om 7u op weg. We nemen de zelfde stellingen in als de vorige dag. We doden de tijd met het lezen van “lectures pour tous” en van de kranten, met eten, roken en kaartspelen. Dat alles gebeurt onder de muren van de forten, die zo nu en dan hun groeten sturen naar de vijand. Het weer blijft aangenaam, en voorlopig hebben we het nog niet te koud. Tot mijn grote vreugde kreeg ik gisteren een brief van mijn goede vriend BAESELEER. Wat heeft die man een sterk karakter! Ik lees en herlees telkens weer zijn brief. Ik hoop voor hem dat hij zo lang mogelijk in het hospitaal mag blijven, maar wat mezelf betreft, ik moet heimelijk toegeven dat ik hem zo rap mogelijk hier weer bij mij zou willen!

Deze voormiddag heb ik me druk gemaakt in een stel lafhartige idioten, doordrongen van angst. Ze krijgen het gedaan een sfeer van pessimisme te creëren die zich spijtig genoeg al snel meester maakt van hun klein groepje toehoorders. Het zijn egoïsten, die denken, dat wanneer hun persoontje ook maar even in gevaar komt, gans het land in rep en roer moet staan, en dat de zaak van de geallieerden verloren is. Ze hebben niet de minste zin voor relativering. In de grond is het belachelijk, maar tegelijker tijd is het intreurig.

De ganse dag zijn de forten doorgegaan met vuren, en tegen de avond ontstaat een reusachtige brand langs de kanten van LONDERZEEL. We zijn niet van onze plaats weg geweest tot 7u30, en dan mogen we terug naar het kantonnement.

Net als vorige dagen wacht ons in WILLEBROECK, voor het slapengaan, een lekker souper.

Zaterdag 26 september 1914

De lichte vermoeidheid in de nierstreek, waarvan ik gisteravond last had, blijkt verdwenen. Verzameling om 6u30 en vertrek om 7u. Deze keer zijn we op weg naar DENDERMONDE. Tussen de prikkeldraadversperringen rond het fort van WILLEBROECK wachten we op verdere instructies. We hebben het over de laatste aanval tegen dit fort, waarbij de Duitsers erg dicht zijn kunnen naderen. We hebben het ook over de commandant die het fort zou verlaten hebben, de kanonnen die vernageld zouden geweest zijn en de obussen met loos kruit … Net als gisteren genieten we van prachtig weer. We wachten gedurende een uur, en dan vinden de chefs dat het toch te veel risico inhoudt om nog langer in die open vlakte te blijven, waar we een gemakkelijk doelwit zijn voor vliegtuigen, rond het fort werd immers alles met de grond gelijk gemaakt. We gaan dan allemaal, het 11e en 12e regiment samen, dekking zoeken achter de hagen in de nabijgelegen weiden. Het is er heerlijk toeven zo in de schaduw van de olmen langs de beekkant! Maar deze idyllische rust kan ons niet aanzetten tot dromen, we blijven immers oog in oog met het spookbeeld van de oorlog. Als men dan daarbij de bedenking maakt dat het toch mogelijk  was  geweest,  om  met  eenvoudige  voorbehoedmiddelen  die afschuwelijke kwaal, die de oorlog toch is, te vermijden, en  men weet daarbij dat toch iedereen tracht naar een weldoende vrede, dan lijkt heel die oorlogssituatie onbegrijpelijk.

We blijven ter plaatse tot het vallen van de avond, en dan mogen we, tot onze eigen verbazing, de vertrouwde kantonnementen in WILLEBROECK weer opzoeken.

 

Vrijdag 25 septembr 1914

Onmiddellijk na het opstaan wordt verzamelen geblazen, zoals gebruikelijk. Ontbijten doen we zoals elke dag in open lucht, en rond 10u zetten we ons op weg, naar het schijnt naar WILLEBROECK. Ik vraag me af waarom we die verplaatsing richting front maken. Ik had eerder gedacht dat we in de richting van PUTTE zouden gaan. Maar ja, uiteindelijk wordt men totaal onverschillig voor al die troepenbewegingen, men voelt al te goed dat men maar een werktuig is, eigen wil of initiatief zijn van geen tel. Men ondergaat gelaten zijn lot, men wordt fatalist. Wat maakt het uit dat men nu eens hier, dan weer daar wordt gelogeerd, men krijgt toch de tijd niet de mensen te leren kennen, hen te appreciëren of met hen te sympathiseren. Wat maakt het uit zelfs, dat men hier gedood wordt of dat het elders gebeurt. Want dat weet ik wel zeker, vroeg of laat word ik gedood, of gekwetst, en merkwaardig genoeg, die zekerheid boezemt mij geenszins angst in. Ik denk evenwel vooral aan het verdriet dat het in mijn familie zou veroorzaken.

We passeren alweer langs DUFFEL, een dorp dat we nu wel heel goed beginnen te kennen. Dan trekken we door de streek van BOOM, met zijn uitgestrekte steenbakkerijen, het krioelt er van een menigte van doodarme arbeiders, een bende klein grut van joelende en gesticulerende kinderen loopt met ons mee. Het door trekken van de troep is voor deze mensen bijna een feest. Van heel ver komen de vrouwen toegelopen, in de hoop een glimp op te vangen van hun man, hun zoon, hun broer… BOOM zelf is een mooi stadje, dat opvalt door zijn rustige en kalme sfeer.

‘s Avonds bereiken we WILLEBROECK, een dorp dat heel wat groter is dan ik zou gedacht hebben. Ik vind er onderdak in een kleine danszaal, en ik kan er zelfs op een matras slapen. Zoiets is mij de laatste 9 weken niet meer overkomen. Terwijl ik nog de kans heb, ga ik in het dorp een omelet met spek eten als souper, wie weet wanneer ik daar nog de gelegenheid toe krijg? Trouwens, de duidelijkheid waarmede het begrip “zijn eigen leven leiden”, zich aan ons voordoet is ook nog zo een van die psychologische eigenaardigheden van deze oorlog. Eigenlijk staan we zo een beetje in de schoenen van de ter dood veroordeelde, die met volle teugen geniet van zijn laatste sigaret, voor hij het schavot opgaat, dus … Nu moet men zich ook weer niet voorstellen dat hier een algemeen neerslachtige stemming heerst. Verre daarvan! Een kleinigheid volstaat om iedereen aan het lachen of aan het zingen te brengen … De omstandigheden lenen zich hier bijzonder goed, voor een psychologische studie van de massa.

Donderdag 24 september 1914

Om 5u worden we gewekt. Het was een erg koude nacht, het heeft naar het schijnt zelfs gevroren. Meer dan eens deze nacht ben ik wakker geworden van de koude voeten. De heldere lucht stelt een prachtige dag in het vooruitzicht. Vandaag zal de Koning de troepen schouwen. We moeten ons daartoe opstellen in een grote weide. Het valt me op hoe het 12e almaar aan het inkrimpen is. Voorafgegaan door twee automitrailleurs komt de Koning aan om 9u30. Hij stapt langs elke compagnie en drukt de hand van de officieren en de gedecoreerde soldaten. Zijn militaire groet komt wat stijf over, wat bedeesd, voor de rest ziet hij er zeer goed uit. Gedurende gans de tijd speelt het muziek meeslepende deuntjes. Wat lijkt de verschrikking van de oorlog hier ver weg! Rond 11u trekt de Koning zich terug, hij verklaart zeer tevreden te zijn over ons en hoopt verder op ons te kunnen rekenen. Iedereen vervoegt zijn kantonnement, en keert terug naar de realiteit… ‘s Namiddags is er vrijaf. ‘s avonds ga in het dorp souperen en dan drink ik nog een glaasje op café.

Woensdag 23 september 1914

Om 5u zijn we al op. De compagnie wordt opgesteld aan de rand van de weg en wacht er in de vochtige ochtendkilte van september tot 7u30. Dan komt de majoor met de mededeling dat we terug mogen naar ons kantonnement voor een dag rust. We steken vuur aan in de serre en al gauw verspreidt er zich een weldoende warmte. We voelen ons goed, fitter. Een flinke wasbeurt met koud water draagt daar nog toe bij. Ik breng de tijd door met lezen, schrijven en kaartspel. De avond overvalt ons en we gaan slapen om 7u30.

 

Dinsdag 22 september 1914

Opstaan om 5u. Rond 6u30 vertrekken we. We stellen ons op in een klein bosje, niet zo ver van het dorp, en blijven er tot 18u ‘s avonds. Vanuit het fort komt er nu en dan kanonvuur. Terug in ons kantonnement, ga ik om 7u slapen. De aalmoezenier, die gewoonlijk nogal goed op de hoogte is van die dingen, weet ons te vertellen dat we hier een van de dagen zullen weggaan, mogelijk zelfs morgen al.

Maandag 21 september 1914

We zijn maar nauwelijks klaar met het ontbijt, als we ons al moeten klaar maken om te vertrekken. Met veel spijt nemen we afscheid van de mensen die ons zo gastvrij hebben ontvangen. De kaart van TURNHOUT wordt bovengehaald en we nemen de weg naar                 St. KATELIJNE WAVER. Daar komen we aan rond 13u. Met 10 man worden we ondergebracht in een serre. We zitten er goed beschermd tegen regen en wind. Twee compagnies zijn in de kerk onder gebracht. Het is een pittoresk zicht, in het kerkhof rond de kerk, is een schuilplaats ingericht om de weg naar ONZE-LIEVE VROUW-WAVER te bewaken. De soepketels dampen tussen de nog verse graven. Om niet verplicht te zijn al om 18u30 naar bed te gaan, maken we nog een toer  langs  de  dorpscafés.  Ze zitten vol soldaten die kaarten, zingen en tieren. Alles bij mekaar, maar een eentonige avond.