Maandelijks archief: september 2014

Zondag 20 september 1914

Vreselijke nacht met hevige wind en regen. Ik kan niet nalaten steeds maar te denken aan diesukkelaars die nu in het slijk van de tranchées zitten daar ergens op de hoogvlakte van de AISNE, en die voor onze bevrijding aan het vechten zijn. In de voormiddag maak ik gebruik van een opklaring om naar het dorp te gaan waar een zondagse stemming heerst. De boerinnen hebben hun beste kleren aangetrokken om naar de mis te gaan, ze lopen verloren tussen een menigte soldaten en officieren, vooral aan het gemeentehuis is de drukte groot. Het dagelijks eten blijft een van onze voornaamste bekommernissen (we mogen niet vergeten dat we in oorlogstijd leven!). Nu moet ik zeggen dat we op dat punt niet te klagen hebben bij die vriendelijke mensen van de Enkelstraat. Een deel van de namiddag gaat naar het lezen van de kranten. De toestand in FRANKRIJK, en die interesseert ons nog het meest, blijft goed. Een artikel in de “Times”, waarin gevraagd wordt dat de Belgische troepen zich aan de zijde van de Engelsen zouden scharen om DUITSLAND binnen te vallen, doet me een beetje steigeren. Vooreerst vind ik niet dat zoiets tot onze taak behoort, en overigens komt het me voor dat BELGIË al ruimschoots zijn plicht heeft gedaan. Na de overheerlijke rijstepap van het avondmaal gaan we nog een frisse neus halen, maar spijtig genoeg jaagt het afgrijselijk slechte weer ons doornat en beslijkt terug naar binnen.

Om 8u ga ik slapen.

Zaterdag 19 september 1914

Het bezoek van gisteren heeft mij weer helemaal opgemonterd, ik ben nu tenminste gerustgesteld aangaand het lot van mijn familie. En nu maar wijselijk afwachten. Ik heb alvast heel goed geslapen in mijn nieuw verblijf, het derde al in enkele dagen tijd! We zijn gelukkig bij brave mensen terecht gekomen, ze hebben deze middag aardappelen en groenten voor ons klaar gemaakt. In een gezellige  intimiteit, zaten we met zijn allen aan één tafel. De ganse dag door is er een trieste regen gevallen. ‘s Namiddags hebben we de tijd doorgebracht met kaarten. ‘s Avonds was er rijstepap voor het eten.

Er is een oproep gedaan voor moedige ongehuwde mannen, voor een speciale opdracht. Men spreekt vaagweg over een nakend vertrek voor morgen.

Vrijdag 18 september 1914

De ganse nacht heeft een ijskoude wind door de spleten tussen de gebroken dakpannen geblazen. Het is erg koud. Tijdens de voormiddag, oefeningen met het geweer, kwestie van ons wat op te warmen zeker! Ik heb een telegram gekregen van tante LOUISE9, ze gaat me komen bezoeken. Maar waarom schrijven mijn ouders me nog steeds niet? Waarom komen ze eens niet op bezoek? Er zouden wel drie duizend gekwetsten liggen in de hospitalen van ANTWERPEN, zo vertelde een soldaat die zaterdag zelf vandaar terug kwam.

 

9 Tante, zuster van de vader van Dr. Martens

Donderdag 17 september 1914

Wanneer ik wakker wordt sta ik nog maar eens vol vlooienbeten…. Gelukkig gaan we weldra naar een ander kantonnement. En nog steeds heeft niemand van de familie zich laten zien. Ik begin me nu toch echt zorgen te maken. Zouden ze misschien teruggekeerd zijn naar HALLE? Of zijn ze naar ENGELAND gevlucht? Dat ware nog het beste! Maar waarom laten ze toch niets weten? Het is nu al drie weken dat ik zonder nieuws ben. ‘s Namiddags maken we kennis met onze nieuwe luitenant, het is de broer van luitenant HAMIS onze bevelvoerder in LUIK. Hij lijkt me een aardige man te zijn. ‘s Avonds eet ik botermelkpap in een hoevetje, het is een typisch avondmaal bij de boeren hier.

Woensdag 16 september 1914

Ik heb alweer omzeggens geen oog dichtgedaan deze nacht, onnodig te zeggen hoe dat komt. De ganse voormiddag heb ik tevergeefs gewacht op bezoek van mijn ouders. Wat gebeurt er toch, waarom komen ze niet? ‘s Namiddags verstuur ik een tweede telegram. We hebben overvloedig voedsel uitgedeeld gekregen. Om 18u30 is het al donker, maar ik heb geen enkele zin om te gaan slapen …! Om de tijd te doden ga ik éénentwintigen in het café om de hoek. De intimiteit die ontstaat tussen de kaarters, rond één tafel geschaard, is een echte vertroosting. Om 10u ga ik slapen.

Dinsag 15 september 1914

Een slechte nacht doorgebracht, het zijn die kleine beestjes die mij hebben wakker gehouden! Ik heb geen bezoek meer gehad. Het is oprecht slecht weer, misschien is dat wel de reden dat ik niemand van huis meer heb gezien. De afwezigheid van mijn vriend BAESELEER laat een pijnlijke leegte na. Ik krijg nu ook te horen dat NAUWELAERS8 gevallen is door een kogel in het hoofd. Wie gaat er mij uiteindelijk nog blijven. Het stemt me uitermate droevig.

 

8 Legerkameraad

Maandag 14 september 1914

We worden ondergebracht in de kwartieren die oorspronkelijk voorzien waren. Ik kom terecht bij erg vriendelijke mensen. Voor het middagmaal hebben we een voortreffelijke tomatensoep klaargemaakt, om duim en vingeren af te likken. In de voormiddag ga ik naar het station om er een telegram te verzenden. Na de middag hebben we rust, en kunnen we onze uitrusting oppoetsen.

Zondag 13 september 1914 (rond de middag)

Ik zit in een gracht die loodrecht staat op de weg van MUYSEN naar RIJMENAM. We moeten de spoorweg bewaken uit vrees voor een omsingelingsbeweging van de vijand. Zopas heeft die nog het dorp van MUYSEN gebombardeerd. Nu is alles rustig. Ik tracht mij de details te herinneren van de twee laatste vreselijke dagen die we hebben doorgemaakt. We waren vertrokken uit RIJMENAM, vrijdag om 14u. Het duurde niet lang of we waren in BOORTMEERBEEK. Daar vermeden we zoveel als mogelijk het centrum van het dorp, want dat werd zwaar beschoten. De kerk en de omliggende huizen staan in brand, maar er is niets aan te doen, we moeten erdoor. Een klein groepje van enkele mannen passeert, dan wachten we wat, en het zelfde spelletje wordt herhaald. Nauwelijks heb ik het kerkplein overgestoken en heb ik dekking gezocht achter de gevel van een huis, wanneer in dat zelfde huis een obus ontploft. Gelukkig wordt niemand geraakt. We vorderen alweer een 20 tal meters. Een obus valt net op dezelfde plaats als daarjuist, en deze maal vallen er gekwetsten. Overigens vanaf nu regent het obussen. Nog een geluk dat we niet lang in die gevaarlijke zone moeten blijven. We naderen meer en meer de vijand, en weldra worden we (heel het eerste bataljon), in lijn opgesteld in het veld vóór het dorp. Minuten later begint de vijandelijke artillerie ons onder vuur te nemen: de schrapnels, die gruwelijke en demoraliserende schrapnels ontploffen voortdurend boven onze hoofden. We liggen plat op de grond, het aangezicht letterlijk in de aarde gedrukt! Het zijn uitzonderlijk tragische momenten. De eerste gekwetsten van ons peloton zijn gelukkig maar licht geraakt. Overal rondom mij liggen angstaanjagende stukjes ijzer zomaar voor het rapen. Terwijl ik, op van de zenuwen, onbewust het gras zit te kauwen dat me aan de lippen komt, krijg ik plots een grondkluit in volle aangezicht. Mijn “pince-nez”* vliegt af. Wanneer ik eindelijk durf kijken, zie ik dat een scherf op 5 à 10 cm van mijn hoofd is ingeslagen. Heb ik geluk gehad! Omdat ik nog maar pas tweemaal na mekaar precies op dezelfde plaats een stukje op mijn kapotjas had gekregen vertrouw ik de zaak niet, en voor alle zekerheid schuif ik een 20 tal cm. achteruit, uit vrees voor een tweede klap op mijn hoofd. Al gauw klinkt geschreeuw en wanhopig hulpgeroep aan onze rechterzijde: ons 2e peloton is omgeven door een dichte wolk van zwarte rook. Als gek vluchten de soldaten alle kanten op. De luitenant moet beroep doen op al zijn overredingskracht om er hen toe te brengen terug hun plaats in te nemen. Het kruisvuur dat we te verduren krijgen (sommigen verdenken onze eigen artillerie), houdt maar niet op. Eindelijk valt de avond.

Wat volgt is geschreven in DUFFEL, op maandagavond: na een zekere tijd, hoe lang, ik zou het niet kunnen zeggen, maar het leken wel uren, kwam het bevel om terug te trekken. Algemene opluchting! Ons peloton legt zich achter een maïsveld, 10 m. verder naar achter. Toch vallen ook daar nog enkele schrapnels. Zo ziet een kameraad hoe zijn geweer verbrijzeld wordt, terwijl hij het tegen zijn dij aan had liggen. Weldra valt er een angstwekkende stilte om ons heen. De nacht is pikkedonker. Slechts fluisterend wordt er gesproken. Al wie over een schop beschikt graaft zich een kuil in de grond.

Onze eerste sergeant is geraakt aan de arm, maar alles bij mekaar is het aantal gekwetsten in ons peloton niet erg groot. We weten niet hoe de zaken elders staan.

Langzaam aan geraakt de hele compagnie terug bij mekaar. Heel traag en in alle stilte gaan we voorwaarts in de richting van de vijand. Men schijnt niet zo zeker welke weg te volgen, want na een tijdje stel ik vast dat we terug in de richting van BOORTMEERBEEK aan het marcheren zijn. Daar vinden we gans het bataljon terug. We houden er halt. Stilaan begint de vermoeidheid, eerder van zenuwachtige aard, zich te doen gevoelen. We leggen ons neer in de gracht, en al gauw is er gesnurk te horen. Er valt een lichte regen. Het huis vóór ons is niet helemaal te betrouwen. Na anderhalf uur moeten we rechtsomkeer maken, terug vooruit. We komen uiteindelijk in een grote weide waar we bivakkeren achter de spoorlijn. De extreme koude belet ons te slapen. Om ons enigszins warm te houden lopen we langsheen de in rotten gezette geweren. Rond 1 à 2u in de morgen ga ik mee met de foerier en nog 6 man proviand ophalen in HAECHT, intussen door onze troepen ingenomen. Langs de weg steeds weer datzelfde trieste beeld van uitgebrande en geplunderde huizen. Overal ligt er militaire uitrusting en achtergelaten wapens. Ook het lijk van een karabinier ligt er nog. Een schrapnelscherf heeft heel de onderkant van zijn buik weggereten, zijn geweer ligt aan stukken naast hem. Na een uur komen we aan in het dorp. De aanwezigheid van een groot aantal vrachtwagens met draaiende motor vormt een schril contrast met de tragische stilte die alom heerst. Men laadt voor ons         5 grote zakken brood af, 5 kisten sardientjes, koffie en suiker. We zijn met zeven om dat alles mee te nemen. Wat nu gedaan? De mannen die al ontmoedig zijn, bewegen niet. De foerier lijkt zich nergens van aan te trekken. Dan ga ik er maar zelf op uit om enig transportmiddel te zoeken. Al gauw vind ik een kruiwagen, aangemoedigd door dat eerste succes zoek ik verder, en val in het goederenstation op een zware stootkar. Ziezo, we zijn gered! De proviand voor twee compagnies wordt op de kar geladen. Na heel wat talmen zetten we ons op weg. De dag komt al op wanneer we de grote weg bereiken die evenwijdig loopt met de vijandelijk linies. We komen maar traag vooruit en worden dan nog beschoten door een, overigens onzichtbare vijand. Er wordt nauwelijks aan de kar geduwd. Eindelijk geraken we dan toch in de bivak.

Het allereerste wat me daar opvalt, is de grote zenuwachtigheid die er heerst. De meest alarmerende geruchten hebben de ronde gedaan gedurende de nacht. We slagen erin de manschappen enigszins gerust te stellen. Het eten wordt bedeeld: een brood, twee doosjes sardienen en suiker, het normaal rantsoen, wanneer het onmogelijk is om een warme maaltijd klaar te maken. Wat hebben we al sardientjes gegeten tijdens deze veldtocht.

Naar het schijnt zouden 10 man van de 3e compagnie 1ste bataljon, niet teruggekeerd zijn vanuit HAECHT, wat mag hen overkomen zijn?

Bij het krieken van de dag trekken we alweer naar de eerste linies. Eens de weg overgestoken barst het gevecht los, de eerste kogels fluiten ons om de oren. Onze compagnie vordert met kleine sprongen, telkens dekking zoekend achter huizen, hagen en oneffenheden van het terrein. We stellen ons op in “tirailleur”. Elk voor zich graaft een kuil en wacht stoïcijns op wat komen gaat. Tot nog toe beantwoorden we het geweervuur van de Duitsers niet. Het begint te regenen. Het wachten duurt een paar uur, en dan krijgen we het bevel ons naar rechts te verplaatsen. Eerst gaan we een beetje naar achteren en dan vervoegen we zeer voorzichtig de rechterflank. We komen nog maar zeer traag vooruit. Op een gegeven ogenblik, we liepen achter mekaar langs een serre, horen we plots een regen van kogels die met luid gedruis van vallend glas de ruiten aan scherven doen vliegen. Ik blijf onmiddellijk staan. Net vóór mij vliegt een ruit aan stukken. Ik werp me op de grond achter een perk rozenstruiken. We zijn met een 20 tal.

Het begint als maar harder te regenen en we kruipen achter de serres om te schuilen. Op dat ogenblik neem ik me voor om naar een huis te gaan, een 20 m. naar achter om van op het dak te kunnen vuren. Eén van de onzen is al bezig de deur in te beuken, wanneer plots een formidabele rookpluim opstijgt uit het naastliggend pand. Ik veronderstel dat er een obus is ingeslagen. De boel schiet in brand, het vuur knettert en verspreidt zich snel. Ik sluip opnieuw naar vóór en vervoeg een rij schutters die dekking hebben gezocht achter een klein heuveltje. Rechts van ons zit luitenant ORQUEVEAU achter een houtmijt. Later ben ik te weten gekomen dat onze stelling op dat ogenblik loodrecht stond op de frontlijn tegenover de vijand, die achter de rozentuin zat.

Het gevecht is nu volop op gang gekomen. Kogels vliegen rakelings over. We maken ons zo klein mogelijk en vuren omzeggens niet. Een gekwetste begint te roepen, daarna nog een. Wanneer ik even opkijk, zie ik hoe mijn beste vriend BAESELEER, samen met nog een ander (VAN OORDE?7) zich naar achter terugtrekt. Zou hij gekwetst zijn? Ik weet het niet. De luitenant doet ons teken om hem te vervoegen. Ik lig in een gracht naast andere kameraden. Achter ons in een huis is een mitrailleur opgesteld, ze vuurt uit volle krach! Heel mijn lichaam doet me pijn. Nu eens lig ik op mijn linkerzij, dan op mijn rechter, dan op mijn buik. Ik voel mijn armen niet meer. Men roept “de mitrailleurs mikken te laag!”. Gekwetsten lopen schreeuwend van pijn naar achter, nog anderen volgen. Opnieuw wordt er geroepen: “Hoger mikken!”. Plots zie ik soldaat DULARD, brullend van de pijn op ons afkomen, compleet radeloos zwalpt hij van links naar rechts. Ik vraag de luitenant toelating om hem naar het huis te brengen waar de mitrailleurs opgesteld staan en waar men ook de gekwetsten opvangt. Al lopend, terwijl de kogels ons om de oren fluiten, breng ik hem er naar toe. Zijn polsslagader ligt open en hij verliest veel bloed, mijn handen zijn rood van het bloed. Het huis waarnaar ik hem breng ligt reeds vol gekwetsten. Meestal jongens van ons peloton.

Ik zie er ook BAESELEER, hij staat in een hoek erg bleek, zijn arm in een draagverband. Gelukkig is zijn kwetsuur (aan de elleboog) niet zeer ernstig. Ik verzorg DULARD, niet alleen de pols, maar ook zijn hals en zijn been zijn geraakt. Zijn vriend CERDAIN lag naast hem, hij is door 4 kogels getroffen. Dat maakt 7 kogels voor twee man!!  Ik  roep  naar de schutters dat ze hoger moeten mikken. “We schieten al op 700 m.” antwoorden ze kalmweg. Van de aalmoezenier die  zich  om  de gekwetsten bekommert, krijg ik de opdracht één of meer karren te zoeken om de gekwetsten te evacueren. “Laat uw geweer en rugzak maar hier” zegt hij, “ga naar BOORTMEERBEEK, dat dorp is in handen van de Belgen”. Ik loop door de Belgische linies heen tot aan het klooster waar er een dokter is en vanwaar de eerste ambulancewagens vertrekken. Ik vind paard en kar, zet er vlug een rode-kruisvlag op en vertrek nadat ik zelf ook een rode-kruis band om de arm heb gedaan. Onderweg komen we de eerste gekwetsten tegen, hinkend en strompelend gaan ze naar het klooster. Ik had al eerder gezien dat onze luitenant gekwetst was, hij en ook BAESELEER is bij de groep. BAESELEER doet me teken ten afscheid, maar uitgeput van vermoeidheid als ik ben, dringt dat nauwelijks tot me door. We trekken verder met onze kar. We komen andere karren tegen en mannen die wegvluchten van de voorste linies. “Algemene aftocht” roept men me toe. Ik ga nog wat verder en neem nog een gekwetste op in mijn kar. Dan komt ook de aalmoezenier er aan. “Het heeft geen zin verder te gaan” zegt hij, “keer maar terug”. Mijn rugzak en mijn geweer, achtergebleven in het huis, ben ik kwijt! Ik lever mijn gekwetsten af en neem rugzak en geweer van een andere gekwetste. Daarmee is mijn rol uitgespeeld. Samen met de andere brancardiers trekken we terug naar RIJMENAM om ons bij de compagnie te voegen. Daar verneem ik dat het bevel tot aftocht gegeven is net nadat ik vertrokken was. Tijdens de terugtocht hebben ze wel nog enige schrapnels moeten incasseren, maar die hebben maar weinig gekwetsten gemaakt. Na heel wat talmen mogen alle troepen die vóór de brug zijn samengekomen, de DIJLE oversteken. We herademen! Temeer omdat een officier van het hoofdkwartier was komen beweren dat het terugtrekken van de troepen tegen de formele bevelen in ging, en dat hij het dus niet zag zitten. We waren niet weinig bang dat we zouden moeten teruggaan! Bij het vallen van de avond hebben we zo snel als mogelijk ons vroeger kantonnement opgezocht. Iedereen was bekaf!

Om 4u worden we gewekt. We moeten de 2e compagnie, die gedurende de nacht loopgrachten heeft gegraven achter de DIJLE, gaan aflossen. Het regent, we maken schuilplaatsen, sommige loopgrachten komen onder water te staan. Rond 10u moet ik samen met een deel van het 3e peloton de weg naar MUYSEN gaan bezetten. We zijn niet weinig verrast wanneer we horen dat we ons alweer moeten terugtrekken. Blijkbaar vormen wij de achterhoede. Over binnenwegen, die doorweekt zijn van de regen, gaan we langs BONHEYDEN en O.L.V. WAVER naar DUFFEL. Het duurt ongemeen lang voor we zijn ingekwartierd ergens op de weg naar KONINGSHOYCT. Het is intussen 22u geworden en we zijn zeer moe. Zonder dralen zoekt iedereen zich een plekje voor de nacht. Ikzelf maak een boer wakker en heb het geluk er ook plaats te vinden. Wat worden de nachten koud als men zo onder de dakpannen moet slapen!

* Toenmalige, nu ouderwetse bril die met een knijper op de neus op zijn plaats werd gehouden.

7 Legerkameraad

 

Vrijdag 11 en zaterdag 12 september 1914

We hadden een redelijk slechte nacht. Gisteren is een van onze patrouilles cyclisten in een hinderlaag gevallen: de sergeant-majoor heeft een lichte kwetsuur aan de voet, sergeant FIEVET daarentegen werd zwaar gekwetst aan het ruggenmerg! Alle anderen zijn ongedeerd, de één na de andere zijn ze binnengekomen. We zijn nu links van de kerk gelegerd. En weer beginnen de kanonnen te bulderen, en het houdt niet op. Het is onze eigen artillerie die over onze hoofden heen aan het schieten is. Van eten is er voorlopig geen sprake. We hebben vandaag zelfs geen brood gekregen, waarom, ik heb er geen idee van. Misschien kan de bevoorrading niet volgen….

Donderdag 10 september 1914

Gewekt om 4u. Ontbijt met sardientjes, spek en eieren. Een deel van het 3e peloton waarvan ik deel uitmaak, wordt gelegerd in een weide rechts van de kerk. Vóór ons ligt een bos, vooruitgeschoven posten van de vijand houden er zich schuil. Nu en dan wordt er naar mekaar geschoten. De uitkijk op de kerktoren roept ons dat hij het justitiepaleis in BRUSSEL kan zien, en ook de St. MARIE kerk. Het bezorgt mij enkele seconden van vage nostalgie. In de namiddag worden we plots opgeschrikt door een formidabele knal, vlak bij ons. Het blijkt onze eigen artillerie te zijn die zich op zo een 50 à 100 m. achter ons heeft opgesteld en vandaar de vijand beschiet. We horen de commandant van boven op de toren roepen : 30 duizendsten te ver naar links. Bij het tweede schot : 15 duizendsten. Bij het derde, vierde en volgende : juist. De goede richting is gevonden! Nu komt de volle laag. Zeer goed wordt er geroepen! Het dak van de kerk staat in brand. Het gaat om de kerk van HEVER of die van BOORTMEERBEEK. En het kanonvuur duurt voort. Ook de commandant gaat door : “10 duizendsten te veel naar rechts!” “Het doel is omkaderd”. Weldra zwijgen de kanonnen. De vijand die de kans niet heeft gekregen om het vuur te beantwoorden is waarschijnlijk op de vlucht geslagen. Wanneer de avond valt zet een immense brand de horizon in een rode gloed.

Intussen bereiken ons allerlei berichten : LEUVEN is al bezet door onze cavalerie, de brug van WIJGMAEL is in onze handen maar wordt aangevallen. Ook HAECHT krijgt het moeilijk onder een vijandelijke aanval, er moet een bataljon versterking gestuurd worden. Een ander bataljon moet de brug over de DIJLE verdedigen vlak vóór ons. Heel onze artillerie bestookt op dit ogenblik doelen links van ons. Het duurt niet lang of we zien de branden oplaaien, waarschijnlijk gaat het om HAECHT.

Onze voorposten schieten niet langer. De stilte valt. We vallen in slaap bij de loopgrachten. Na enige tijd mogen we terugkeren naar ons kantonnement van gisteren.