Maandelijks archief: oktober 2014

Zaterdag 31 oktobr 1914

Reeds bij het ontbijt beginnen de eerste schrapnels te vallen, wat later gevolgd door obussen. Een vijandelijke artilleriebatterij heeft gebruik gemaakt van de nacht om heel dicht bij te komen, ze bombardeert nu het dorp. Vertwijfeld slaan alle inwoners op de vlucht. Ook het 1e bataljon breekt zijn tenten op en vlucht weg! Na heel wat haltes en aarzelingen, stoppen we bij mijlpaal 13 op de weg naar VEURNE. In een van de weiden daar, hebben Spahis hun tenten opgeslagen, met hun rode broeken zorgen ze voor een verrukkelijk tableau! Tot ‘s avonds blijven we in een boerderij in de buurt. Het aantal zieken begint schrikwekkend toe te nemen, niet alleen soldaten, maar ook officieren worden alsmaar afgevoerd naar het hospitaal! De kaders zijn tot een minimum beperkt. Officieren die maar pas de graad van luitenant behaalden, krijgen het bevel over een ganse compagnie. Sergeanten voeren bevel over de pelotons. Er blijft van onze compagnie amper een handvol manschappen over. Het is oprecht ontmoedigend, om in die omstandigheden naar de frontlijn te moeten! Er valt niet aan te twijfelen, het Belgisch leger zou absoluut een behoorlijke poos rust moeten krijgen om daarna gereorganiseerd te worden. Naar mijn gevoel denkt iedereen er zo over.

Vandaag heb ik nieuws gekregen over de familie van TURNHOUT, die naar TILBURG is gevlucht.

Bij het vallen van de duisternis gaan we naar PERVYSE, we blijven daar als 1e reserve. Onze loopgraven liggen niet ver van de weg tussen de mijlpalen 8 en 9.

Vrijdag 30 oktober1914

Om 7u15 zijn we op. We wassen ons een beetje, nemen snel ons ontbijt en bedanken onze vriendelijke gastheer. Het komt erop aan onze eenheid zo vlug mogelijk in te halen. Op weg naar PERVYSE komen we in AVECAPELLE, waar we vernemen  dat het 3e bataljon er op rust is, het 2e in reserve, en het 1e in de loopgraven. Ziedaar slecht nieuws. Heel wat soldaten van het 12e zijn achter gebleven. Ik ben ontmoedigd, zoals nog nooit tevoren. Mijn eerste gedachte is om door het veld naar de loopgrachten te gaan, maar een kanaal waar we niet over kunnen, belet ons dat. We zijn dan blijven slapen in een hooimijt, tot 15u in de namiddag. We moeten terug, naar de grote weg, en de richting van PERVYSE nemen. In een ambulancewagen zien we een paar soldaten die dezelfde weg wilden nemen en daarbij gekwetst werden aan de benen door schrapnels, de weg ligt er inderdaad verlaten bij en wordt fel gebombardeerd. Het brengt ons aan het twijfelen. Er komen Algerijnse en Tunesische infanteristen voorbij. Er zouden er zo een 2.000 zijn, en ze worden onmiddellijk de eerste lijn in gestuurd. De avond begint te vallen. Een vage zwakheid heeft me vandaag heel de dag aan het gemoed geknaagd, en ik ben uitermate zenuwachtig geweest . Naar het schijnt zouden de kolonels COLLYNS en MEYSER gekwetst zijn.

We gaan dan maar een huisje binnen langs de weg, en wachten er tot het 1e bataljon dat om 7u. moet afgelost worden, daar voorbij zal komen. Binnen knopen we het gesprek aan met Algerijnen, en Afrikaanse jagers. Al gauw zijn we  de  beste  vrienden.  Ze geven ons de aardappelen die overbleven van hun avondmaal. Op een bepaald ogenblik komt een Algerijns sergeant binnen met enkel die woorden: “Weet ge, we hebben ze gehad.” Van een soldaat die bij hem was verneem ik dat het om loopgrachten ging die ze met de bajonet op het geweer hebben aangevallen en veroverd. Er zijn daarbij wel veel doden en gewonden gevallen. Rond 8u. komt onze compagnie voorbij, en wij sluiten aan. Er sneuvelden vandaag 3 kameraden, en er zijn verschillende gekwetsten. De vijand heeft zware verliezen geleden. Driehonderd van hen zijn krijgsgevangen genomen. De kameraden van de compagnie vertellen dat ze in de namiddag verschillende aanvallen met succes hebben afgeslagen. Het was heel plezant! Ik heb spijt dat ik er niet bij was.

We gaan tot in AVECAPELLE, waar we logeren op de zolder van een school.

Donderdag 29 oktober 1914

Om 6u30 worden we bruusk gewekt. Tegen alle verwachting in moeten we alweer vertrekken. Ik had gedacht dat de stad vol zou zitten met vluchtelingen, maar dat blijkt niet het geval te zijn. We volgen de kust richting NIEUWPOORT. Komt er nog iets van de acht dagen rust die ons beloofd waren? We marcheren nu eens langs de waterlijn, dan weer langs de duinen. We trekken voorbij COXYDE tot in OOSTDUINKERKE, waar we ons installeren in de duinen. Engelse oorlogsbodems, in de verte, bombarderen de kust die vóór ons ligt, het levert een pittoreske aanblik. Trouwens in de richting van NIEUWPOORT, en ook wat meer naar het zuiden toe is er hevig artillerievuur. Waarschijnlijk rukken de Duitsers verder op over de IJZER. In het voorbijgaan heb ik VERNIERS, GUILLAUME16 en COUROUBLE17 gezien, van CANTILLON16, geen nieuws. Tegen de avond aan gaan we opnieuw op stap. Eerst volgen we de kust, maar dan gaat het landinwaarts, naar het schijnt naar PERVYSE. Het begint te regenen. De weg is lang, en de rugzak weegt door! Ter hoogte van het kanaal veranderen we van richting, naar VEURNE nu. We hopen dat we er op kantonnement gaan, want de vermoeidheid doet zich voelen. Maar neen, we trekken heel de stad door. Doorweekt van de regen haak ik, samen met SCH…, af en vraag onderdak aan een brave burger in de stad. Het is al 23u30. We stappen over het echtelijk bed in de kelder en vinden er een plaatsje op de stenen vloer van de aanliggende kelderruimte. Gisteren zijn hier vlakbij nog drie obussen gevallen, waarschijnlijk waren ze bedoeld voor het station.

16 legerkameraden

17 Adjudant

Woensdag 28 oktober 1914

Er zijn nu 3 maand verlopen sinds de mobilisatie. Wat is er uiteindelijk in die tijd gebeurd? In FRANKRIJK trappelt men ter plaatse. Wat RUSLAND betreft krijg  ik  de indruk dat het daar nog maar pas moet beginnen. Het zou wel eens kunnen dat we voor een uitputtingsoorlog staan.

Toen ik deze middag ging eten bij een beenhouwer in het dorp, ontmoette ik er door een ongelooflijk toeval mijn beste vriend DALCQ14. Het was al een hele tijd dat ik niets meer van hem gehoord had. BERNIER stelt het goed. Zowel DALCQ als BERNIER dachten dat ik gesneuveld was. Ze hadden het wel meer dan 10 keer horen zeggen. Enkel piot CHOT15 ontbreekt nu nog aan het quatuor.

Daarstraks heb ik Arabische ruiters gezien op hun kleine paardjes. Gans onverschillig, gaven ze mij de indruk alleen maar “mensendoders” te zijn. Net zoals de Senegalezen zijn ze niet meer dan een gewillig instrument in de handen van hun chefs. Waarlijk, volkeren van de hele wereld nemen deel aan deze formidabele stormloop! Om 14u., vertrek! Autobussen voeren langs de weg van VEURNE, verse troepen aan naar de stad. Het is buitengewoon druk op de weg, vooral door de auto’s. We gaan de stad door, tot op de weg naar DEPANNE. Daar komen we aan om  19u. Iedereen is moe, en we leggen ons onmiddellijk te slapen. We verblijven deze nacht in een parking voor auto’s.

14 Medestudent geneeskunde                                                                                                                                        15 Medestudent geneeskunde

Dinsdag 27 oktober 1914

Om 8u wordt ik wakker, ik voel me ongelooflijk fit. We genieten van een volle dag rust. Een volledige wasbeurt met koud water heeft me helemaal opgekikkerd! Een Franse batterij zwaar geschut staat achter ons opgesteld. Een beetje verder ontploffen vijandelijke schrapnels in de lucht. Wanneer zullen we eindelijk eens verlost zijn van dat kanongebulder? Pas vandaag heb ik mijn aanvraag (voor verplaatsing naar de geneeskundige dienst), aan de commandant kunnen geven. We vertrekken hier om 19u., en we houden halt in ALVERINGHEM. Ik breng de nacht door op de plankenvloer van een zolder in een kleine burgerwoning.

Maandag 26 oktober 1914

Gans de nacht heeft het geregend, en we hebben in het slijk moeten slapen. We zijn druipnat en beslijkt, en bovendien doodop. Naarmate de tijd vordert neemt de intensiteit van het kanonvuur toe. We wachten tevergeefs op het 11e. Om wanhopig van te worden! De derde compagnie die we zijn komen versterken, heeft ons deze morgen, eindelijk een half brood gegeven, maar één minuut later is men het ons terug komen afnemen. Gaat men ons drie dagen zonder eten laten?? Rond 9u krijgen we dan toch te eten. Men moet toch weten, dat eten nog het enige plezier is dat ons blijft. Tot overmaat van geluk, men is wijn gaan halen in de stad, en iedereen krijgt één derde van een fles toebedeeld. Rond 12u30 begint hetzelfde spelletje van  gisteren:  de  Duitse  artilleriebatterij  die vóór ons ligt, begint kwistig schrapnels te zaaien over de loopgrachten op onze linkerflank. De Franse mariniers trekken terug, ook het 4e trekt terug tot achter onze stelling. We zijn dus helemaal niet meer gedekt op onze linkerflank. Net zoals gisteren komen de geweerkogels nu van opzij, en net als gisteren lopen we gevaar omsingeld te worden. Gelukkig komt er beter nieuws, de compagnie mariniers is afgelost door een compagnie “turco’s”. Men verwacht dat er drie bataljons van hen zullen komen. De 4e compagnie bemant geleidelijk aan terug de loopgrachten die ze hadden verlaten. Het bombardement op de stad herbegint. Er is een nieuwe batterij vijandelijk geschut bijgekomen, ze heeft zich aan onze linkerkant opgesteld niet eens zover hier vandaan. Met de verrekijker zien we ze duidelijk manoeuvreren.

De steeds weerkerende alarmtoestand heeft een koortsachtige sfeer veroorzaakt, zelfs de commandant moet dat toegeven. En alweer valt de nacht, en moeten we de wacht optrekken. Het wordt rustig. Plots, ik weet niet meer om welk uur juist, wordt bevel gegeven, de ransels op te pakken. Zouden we eindelijk weg mogen? En ja, met onnoemelijk veel omzichtigheid verlaten we de loopgraven. Bovenaan de loopgrachten staat een Frans officier met zijn manschappen, zwarte duivels, nauwelijks te zien in het donker. We worden afgelost door Senegalezen.

De omgeving van de weg die ons naar de stad voert is bezaaid met enorme bomkraters! De straten liggen er onbeschrijfelijk troosteloos bij, ze bieden een vreselijke aanblik. Eigenlijk is het moeilijk te zien waar er ooit een straat was. Alles is herleid tot één massa van wankele en rokende puinen en reusachtig gapende gaten en over dat alles hangt een walgelijke lijkgeur. Gisteren nog is een vijandelijk bataljon erin gelukt de stad binnen te dringen. Enkele van mijn kameraden werden zelfs krijgsgevangen genomen. Eén sectie was met slaande trom de laatste   brug overgestoken. Alle anderen werden door ons mitrailleurs weggemaaid. Diegenen die er door geraakt waren verscholen zich in de huizen en boden heftig weerstand. Daardoor liggen nu sommige woningen vol met lijken. Naar het schijnt waren er bij die Duitsers veel universitairen. Het is niet uitgesloten dat ik sommigen ervan kende. Afschuwelijke gedachte! Al die tijd zaten wij in de loopgrachten, zonder ook maar even te vermoeden dat we de vijand in de rug hadden.

De derde compagnie wordt ondergebracht in de kerk van OOST-DUINKERKE. Ik sleep mijn wankele en doodvermoeide karkas tot LAMPERNISSE, waar het grootste deel van onze compagnie gelegerd is. Ik kan me niet meer de moeite getroosten een geschikter plaatsje te zoeken, en leg me maar buiten onder een kar te slapen. Het is intussen al 1u geworden. Van heel de tijd, sinds het begin van de veldtocht, waren het ongetwijfeld deze laatste dagen die me zowel fysisch als moreel het meest hebben uitgeput. De gruwel ervan is om nooit te vergeten, men is er voor altijd door getekend! Reeds 10 dagen wordt er hier hardnekkig slag geleverd. Langs beide zijden zijn de verliezen enorm. Men komt er zelfs niet toe de lijken te begraven, overal liggen er te rotten. Heel het gewicht van de slag om de AISNE heeft zich naar hier verplaatst. Hoe zal het aflopen? Niemand die dat kan zeggen! Eén ding is zeker, ten minste op één plaats hebben de Duitsers de IJZER overgestoken.

Zondag 25 oktober 1914

Het ziet er naar uit dat we mooi weer krijgen. Systematisch wordt verder gebombardeerd. Vooral de weg langs de IJZER, een 300 m. van ons vandaan wordt geviseerd. We hebben vandaag nog niets te eten gekregen, en evenmin iets te drinken!

Men kan zich nauwelijks bewegen in deze gracht. Uren lang zit men daar en tracht er alle mogelijke en onmogelijke houdingen aan te nemen. Alle delen van het lichaam doen pijn. Om 15u is een hels bombardement begonnen, om zot te worden. Iedereen gaat op de grond liggen in de loopgracht, tracht te slapen, en verwacht er zich aan elk ogenblik te sterven. Het is een vijandelijke batterij artillerie op 1.200 m. vóór onze stellingen die ons  op de linkerflank bestookt met schrapnels. De 4e compagnie moet tijdelijk achteruit, vooral omdat de vijandelijke artillerie ons in de lengte aanvalt. Het zijn kritieke momenten. Maar uiteindelijk komt alles toch terug tot een betrekkelijke rust. Eens dat de nacht valt, vermindert zoals gewoonlijk het kanonvuur, maar neemt het geweervuur toe. De kogels fluiten over onze hoofden heen, ze komen zowel van rechts als van links als van voren. Een vijandelijke colonne zou naar ons toe komen. Nochtans treedt rond 1u ‘s nachts de kalmte in. Het 11e dat ons normaal deze avond had moeten aflossen, is niet verschenen. Laat ons hopen dat ze hier morgen zullen zijn.

Net zoals dat het geval was bij de slag om Luik heeft de slag om Dixmuide een zeer sterke indruk nagelaten op Dr. Martens. De slag om Dixmuide was overigens ook op militair gebied erg belangrijk. Door het Duitse leger op te houden werd het Frans leger de gelegenheid geboden zich te hergroeperen en zo beter zijn verdediging voor te bereiden.                                                                                          

Net als bij de slag om Luik heeft Dr. Martens enige dagen later, een uitgebreid verslag opgetekend van deze emotievolle oktoberdagen. Het is dat verslag dat hierna volgt.

Van zodra de vijand er mee begon de forten aan te vallen met geschut dat in staat bleek alle vaste versterkingen uit te schakelen, was het duidelijk voor het hoofdkwartier, dat Antwerpen, verloren was en werd het belangrijkste streefdoel, het veldleger redden.

De terugtocht, aangevangen op de avond van de 6-de oktober, werd bewonderenswaardig goed georganiseerd, al was het onvermijdelijk dat daarbij uitzonderlijk veel geëist werd van de troepen. Vooral de 3-de divisie die de zwakke flank van het leger moest dekken, diende voortdurend zware nachtmarsen af te leggen zonder dat er enige mogelijkheid was tot rusten. De afstand ANTWERPEN GENT werd door ons bataljon afgelegd middels zware dagmarsen, en daarenboven diende er nog slag geleverd te LOOKEREN en te OOSTAKKER. Toen de manschappen op 9 oktober in DRONGEN aankwamen, waren ze dan ook volledig uitgeput. ‘s Anderendaags om 5 uur ‘s morgens werd het 12-de linie samen met het grootste deel van de 3-de divisie, op de trein gezet, en in de namiddag kwamen we aan te NIEUWPOORT. De manschappen waren dermate vermoeid dat men wel verplicht was hen twee à drie dagen rust te gunnen. De 13-de vertrokken we opnieuw, en de 14-de namen we stelling langs de IJZER. Het was een zeer goede verdedigingslinie, die zich uitstrekte van de NOORDZEE tot BOESINGEN, ze volgde de stroom, en tot KNOKKE en verder, het kanaal van IEPERLEE. De afstand NIEUWPOORT-BAD BOESINGEN bedraagt 36 km., en dat was niet buiten verhouding voor het Belgisch leger waarvan de getalsterkte gezakt was tot 82.000 manschappen waarvan 48.000 gewapend. De ganse streek was doorzaaid met grachten, kanalen en rivieren, en vooral, door het sluizencomplex te NIEUWPOORT kon men het ganse terrein waarop de Duitse troepen zich zullen ontplooien, onder water zetten. De 15-de oktober, van ‘s morgens vroeg zijn we aan het werk, we graven loopgrachten in LEKE, in PERVIJSE en in OUDEKAPELLE, waar we zo goed als het kan ondergebracht zijn in loodsen en schuren. In de verte grommen de kanonnen, en we horen hoe elk ogenblik hun doffe stem dichter bij komt. Wat gaat er gebeuren? Allerlei veronderstellingen gaan door het hoofd van de soldaten. Twee dagen reeds hebben ze geen brood meer gekregen, gelukkig zijn er beschuiten om de ergste honger te stillen. Later wordt er Frans brood uitgedeeld, en al is dat zeker niet slecht van smaak, het kan toch ons nationaal “bruintje” niet vervangen. Ginds, in een verlaten boerderij, zijn smulpapen bezig enkele sukkelaars van varkens achterna te zitten. Telkens als ze er een te pakken krijgen, wordt het in             5 minuten tijd neergeslagen , gebrand en gekwartierd, waarna elk met zijn portie verdwijnt. De 19-de krijgt het 12-de linie order de stad DIKSMUIDE te bezetten. Tot dan toe was de stad verdedigd geweest door een brigade mariniers, en de 16-de ‘s morgens hadden die het vuur moeten openen om een sterke groep vijandelijke verkenners af te weren. Volgens de gekregen orders wordt de brigade B, samengesteld uit het 11-de linie, het 12-de linie en een groep artillerie, ter beschikking gesteld van de Franse admiraal RONARCHE. Hij kreeg tot taak, het bruggenhoofd van DIXMUIDE te verdedigen. De admiraal geeft bevel aan de brigade B om het bruggenhoofd te bezetten op de rechteroever, terwijl de mariniers van de 5-de Belgische divisie een aanval naar het noorden ondernemen. Alvorens verder te gaan wil ik er toch aan herinneren dat, kolonel JACQUES en kolonel MEISER, brigadecommandant, onze rechtstreekse chefs waren. Indien ik hier de naam van deze dappere officieren vermeld, dan is het om er de nadruk op te leggen dat zij het volste vertrouwen genoten, en dat onder hun bevel, de manschappen zonder de minste twijfel hun plicht zouden doen.

Op het ogenblik waren wij het die volledig instonden voor de verdediging van de YZER. De koning had beroep gedaan op onze zelfverloochening, hij had ons gevraagd ten minste 48 uur stand te houden op deze verdedigingslinie die de Duitsers zeker zouden trachten te doorbreken, en wij hadden gezworen liever te sterven dan het laatste lapje grondgebied dat ons restte te laten innemen.

De 19-de oktober ‘s morgens, bij open en zonnig weer, stelt het regiment zich op te OUDEKAPELLE. We zijn ons ten volle bewust van de ernst van de toestand, maar de kolonel verzekert ons, met de glimlach, dat we een mooie overwinning gaan behalen, en dus pakken we blij gezind onze rugzak en trekken op, terwijl we al dromen van een terugkeer naar een heroverd LUIK. In traag tempo naderen we het ongelukkige DIXMUDE. We trekken de stad binnen en treffen er een sympathieke, maar vooral angstige bevolking aan. Nu reeds vertrekken een heleboel vluchtelingen naar veiliger oorden, de arme mensen die hun provincie zijn ontvlucht, reeds dag en nacht op weg, zwerven doelloos rond, op zoek naar een plaats die veiligheid en opvang biedt. Bij het zicht van dat alles, komt mijn gemoed in opstand. Ik word razend kwaad op de onverzoenlijke vijand. Ik denk aan mijn familie, aan allen die me lief zijn, en die ik misschien nooit meer zal weerzien. We trekken gans de stad door en nemen stelling in inderhaast gegraven loopgrachten voor het bruggenhoofd. Het lijdt geen twijfel, we zullen alweer slag leveren. En welk gevecht zal het worden? Van onze weerstand, die tot het uiterste moet gaan, hangt het lot af van de geallieerde troepen. Mochten de vijandelijke troepen kunnen doorbreken, dan betekent dat, dat we de oorlog verliezen. Vastberaden beginnen we verbeteringen aan te brengen aan onze stellingen. De mariniers die hier voor ons waren, waren maar pas begonnen met de aanleg van de loopgrachten. Er was nog geen enkele bijkomende verdediging, geen prikkeldraad en het schootsveld was niet vrij gemaakt, zoveel bijkomende factoren die onze verdediging bemoeilijkte. Daar kwam nog bij dat sommige loopgrachten waren aangelegd net achter struikgewas, en het eerste wat daar moest gebeuren was het vrij maken van het schootsveld vlak ervoor. We gaan vol moed aan het werk. Het zal zo rond 3 uur in de namiddag geweest zijn, mijn vriend JOB is bezig de borstwering van onze schuilplaats te versterken, terwijl ikzelf meer naar voor toe alles aan het verwijderen ben wat het zicht enigszins kan belemmeren. Plots hoor ik een gefluit, een obus ontploft in de loopgracht, verschillende andere projectielen volgen … ik wordt omver geblazen, kruip recht en haast mij bescherming te zoeken. Het wordt een regen van obussen, en overal vliegt allerlei puin de lucht in. Ik kijk naar de plaats waar JOB zich bevindt, en net op dat ogenblik treft een obus de borstwering waarachter hij schuilt, de borstwering stort in en bedelft hem. Vol angst wacht ik af, eindelijk zie ik hoe hij zich vrijmaakt, en met verwrongen aangezicht zijn heil zoekt in een andere loopgracht. Het bombardement blijft duren, na zowat een uur wordt de vuurlijn verlengd en de projectielen vallen nu in de stad zelve. We herpakken ons, en iedereen kruipt opnieuw zijn kuil in of maakt er een nieuwe. Van onze kuil blijft alleen nog een vormloze massa grond over, ik heb goed zoeken, ik kan er noch mijn wapen, noch mijn uitrusting in terugvinden. Ik neem dan maar geweer en uitrusting over van een gekwetst soldaat. Rond 18 uur wordt ons medegedeeld dat de 5-de legerdivisie en ook de mariniers teruggedreven worden en dat ze de IJZER moeten oversteken naar de linkeroever, de troepen die de stelling verdedigen, moeten die aftocht dekken. De nacht kent een kalm verloop. Het regent, ook in de loopgrachten. De soldaten doen een dutje, het geweer binnen handbereik, klaar voor de aanval, elkeen dient wacht te lopen in deze oncomfortabele holen. Eindelijk, na lange uren van angst en spanning begint het licht te worden en brengt de dageraad enige gemoedsrust, we zijn uitermate vermoeid en hopen dra een weinig rust te kunnen nemen. Helaas! De vijand komt dreigend dichterbij … Vanaf 8 uur (het is nu 20 oktober), begint het bombardement. Het is een onophoudelijke regen van zware schrapnels, en vooral van mijngranaten, een soort torpedo’s, die met een oorverdovend lawaai ontploffen en een zwarte dichte rook verspreiden. Ze hebben wel geen al te grote vernietigingskracht, maar hun invloed op het moreel van de troepen is enorm. JOB en ik samen, tegen mekaar aangedrukt, liggen plat op onze buik tegen de borstwering. Machteloos en verdwaasd, zien we elk moment de dood tegemoet. Gedurende uren, het lijken wel eeuwen, horen we niets dan sinister gefluit en formidabele ontploffingen. De manschappen zijn terneergeslagen, het lijken wel wassen beelden, geen een beweegt, niemand spreekt, niemand eet, alleen het geluid van onze benauwde ademhaling is te horen in de loopgracht. Die marteling blijft duren tot 2 uur in de namiddag. En dan plots melden onze vooruitgeschoven schildwachten dat de vijand massaal op komst is. Het bombardement was een voorbereiding op de aanval die losbreekt rond 14u30. Het geschut verlengt de vuurlijn en mikt nu op de bruggen achter onze verdedigingslinie. DIXMUDE wordt intens beschoten om te vermijden dat van daaruit versterking naar onze linies zou toevloeien. Dan volgt vanuit de Duitse linies, die geleidelijk vorderen, doorgedreven geweervuur. Ze weten het terrein goed te gebruiken, en kunnen nog op vele plaatsen dekking vinden omdat we er niet in geslaagd zijn het schootsveld tot op grote afstand vrij te maken. Het geweervuur van onze manschappen brengt hen echter aanzienlijke verliezen toe, en daardoor geraken de vijandelijke troepen niet tot aan de stelling vanwaar ze normaal de stormloop zouden kunnen inzetten. Op dat gegeven ogenblik stuurt de pelotonchef me naar de kapitein om er inlichtingen in te winnen, ik sluip er naar toe en wanneer ik terugkom ontdek ik dat mijn pelotonchef getroffen is. Ik wil hem meenemen, maar mijn kapitein maakt me duidelijk dat ik onmiddellijk weer de loopgracht in moet. Nu nemen onze kanonnen een bos onder vuur waaruit de vijand te voorschijn komt: het gevecht is nu goed begonnen, de spanning stijgt koortsachtig, van overal wordt er geschoten. DIXMUDE wordt bedolven onder een regen van obussen en schrapnels. Weldra duiken langs alle kanten Duitsers op. We worden bedreigd op onze linkerflank, de compagnie die ons vervoegt, lag zo erg onder vuur dat alle officieren er gedood of gekwetst zijn, het wordt onmogelijk de stelling nog langer te behouden. De manschappen die nog overblijven ontruimen de loopgrachten en trekken zich een 200 meter terug. Net wanneer de majoor er, ondanks zijn niet aflatende strijdvaardigheid, aan denkt om terug te trekken, komt er versterking van een compagnie van het 11-de linie, gevolgd door mariniers. Onmiddellijk stoten deze dapperen door en nemen de prijsgegeven loopgrachten terug in. Heel wat kameraden werden getroffen, zo voer ik er een af die geheel bedwelmd is door de ontploffing van een obus in de loopgracht, waarna ik al kruipend langs de grachten terugkeer, om de kogels te ontlopen. De obussen vallen nu op zoveel plaatsen tegelijk dat men er, gelukkig maar, zelfs geen acht meer op slaat. Ik vraag me af of JOB nog leeft, ik weet het niet, ik zie hem niet meer. De nacht valt. We bevinden ons in een park, waar we ons ontplooid hebben in een rij achter een haag, voor ons liggen de loopgrachten, bemand door de onzen, en door de fuseliers die ons kwamen versterken. De kogels blijven onafgebroken door de lucht fluiten. Terwijl ik op mijn zij lig maak ik met mijn spade een kleine borstwering van grond. Het geweervuur verdubbelt nog in intensiteit, de moffen vallen opnieuw aan en men hoort ze duidelijk schreeuwen “hoch!” en “lebe der kaiser!” Het is een onvergetelijk schouwspel. In de loopgrachten en in het park krioelt het van vreemd door mekaar wriemelende mannen, en bij het licht van het geweervuur ziet men schaduwen voorbij schuiven, naar links, naar rechts, naar voor. Belgen en Fransen lopen door mekaar en moedigen elkaar aan. Nu zwijgen de kanonnen, maar dan laten de geweren en de mitrailleurs zich weer horen. Wat een duivels concert, het is alsof de hel is losgebarsten. Bij zijn vruchteloze aanvallen maakt de vijand een hels lawaai, de moffen schreeuwen als wilden, klaroenen schallen, trommels roffelen. En opnieuw dondert het kanon, mitrailleurs spuiten hun series kogels en geweren vuren moordende salvo’s af. Kreten weerklinken in de nacht, geroep, bevelen, instructies. Er zijn Franse soldaten, die ondanks het gevaar, allerlei alaam vastgrijpen, en wanneer de moffen vluchten slaan ze al dat ijzerwerk tegen mekaar en verhogen daarmee nog het onbeschrijfelijk gedruis: een tragikomisch gebeuren, in volle gevecht ziet men de kans om lol te maken.

Vruchteloos poogt de vijand onze loopgrachten in te nemen, wie tot aan onze linies geraakt, wordt weggemaaid, een echt bloedbad. Wie goed luistert kan de indringende bevelen horen van de Duitse officieren en het koppig weigeren van de soldaten weerspannig gemaakt door de onmogelijke opdracht. Rond 23 uur wordt van enige mildering van het gevecht gebruik gemaakt om ons in het geniep af te lossen, en met een ietwat geruster gemoed trekken we naar DIXMUIDE. Daar aangekomen, krijgen we proviand, en hoe ongelooflijk het ook moge klinken, de nacht brengen we door op de zolder van een huis. Natuurlijk is er geen één die kan slapen, het komt ons voor dat we er niet levend zullen uit geraken, noch uit het huis, noch uit de stad. Het geweervuur blijft voortduren, door de echo die we er van opvangen lijkt het van zeer dichtbij te komen alsof het in de straat zelf was dat het gevecht plaats heeft. Na het geweervuur neemt het kanon weer over. Het ligt duidelijk in de tactiek van de moffen, dat een infanterieaanval wordt voorafgegaan van een hevig bombardement. De eerste dagen duurde zo een bombardement 3 uur, daarna volgde de aanval. Mislukte de aanval, dan werd het bombardement hernomen, maar hoe langer het duurde, hoe heviger er werd gebombardeerd. De 21-ste, bij het ochtendgloren, doet de kapitein ons samenkomen onder de inrijpoort van het huis waar we verblijven. Per peloton moeten we het marktplein, dat bestookt wordt met projectielen, al lopend oversteken. Een enkele seconde wordt er getwijfeld, dan gaat de poort open en een eerste groep neemt zijn aanloop. Op hetzelfde ogenblik slaat een obus in naast hen. Zowel de officier als twaalf manschappen worden geraakt. Voorzichtig verlaat ik met enkele kameraden het huis, en langs de tuin achteraan bereiken we de half verwoeste brug. Aan de brug, in het slijk en de regen heeft zich een meelijwekkende stoet gevormd van vrouwen, kinderen en ouderen, gans de bevolking die nog in de stad gebleven was en die nu hals over kop wegvlucht. We slaken een zucht van verlichting als we eindelijk aan de andere kant van de brug zijn. We trekken door KAESKERKE, dat in puin ligt, langs de brandende kerk, en zo komen we in het veld. Op 3 km. van de stad, in volle veld, wordt het bataljon gehergroepeerd, daarna gaan de verschillende compagnies uiteen, en iedereen legt zich te slapen tussen het groen om uit het zicht van de vijand te zijn. We hebben zowat veertig man van onze compagnie verloren, maar toch zijn we nu nog met een tachtigtal. Een weinig warme soep helpt ons om van de emoties te bekomen. Zowel JOB als ikzelf, we mankeren niets, we hebben het er goed van afgebracht. Vrolijk vertelt de een de andere zijn verhaal, met alle details over het gevecht, we discussiëren over onze zienswijzen, onze verwachtingen, we vergeten bijna in welke heksenketel we zitten, we kunnen weer lachen, althans tot we het trieste onderwerp aansnijden over al diegene die op het slagveld bleven. Eensklaps, niet ver van ons horen we obussen overkomen, hun gefluit en de formidabele ontploffingen maken duidelijk dat het niet om kinderspel gaat. Heel zeker heeft de vijand de plaats van onze opstelling ontdekt, want de projectielen achtervolgen ons, we moeten ons zoveel mogelijk verplaatsen, en steken snel, snel beken en kanalen over waarvan het landschap hier zo rijkelijk voorzien is. Dat alles gaat niet vanzelf en meer dan één krijgt daarbij willens nillens een gedwongen bad. De “dikke zwarten” vallen zonder ophouden op de weg achter ons, en zo slaat plots één van hen in op een munitie wagen van de artillerie. Vreselijk! Van de caisson, de voerder noch de paarden hebben we ooit iets terug gezien. Na heel wat wederwaardigheden valt eindelijk de avond. We gaan op kantonnement in het dorp van OOSTKERKE. De nacht gaat voorbij zonder incidenten. In de verte blijft er onophoudelijk kanon- en geweervuur weerklinken. We zijn nu de 22-ste oktober, en gedurende gans de dag maken we overdekte loopgrachten in het veld, de materialen die we daartoe nodig hebben halen we uit het dorp dat voor de helft verlaten is. We gaan daarbij langs de spoorlijn, zo kunnen we de kanalen vermijden. Rond de middag komt er langs het spoor een gepantserde trein met Engels geschut aangereden. Gaan we eindelijk zwaar geschut krijgen om de moffen van antwoord te dienen? Op een bepaald ogenblik komen JOB en ik van het dorp met op onze schouders een balk die ons het zicht belemmert. We hebben dan ook niet opgemerkt dat er teken gedaan werd dat het kanon ging vuren. Wanneer het schot afgaat liggen we allebei voor we het weten op de grond, de balk een eind voor ons. Doof van de slag, kruipen we recht en we maken dat we zo gauw mogelijk weg zijn. Onmiddellijk beantwoordt de vijand het vuur. Vóór ons, vlak voor de spoorlijn vallen zonder ophouden de “15-sigaren”. Telkens zo een projectiel met onheilspellend gefluit op ons afkomt kijken we onwillekeurig op, om te zien waar het terecht komt, gelukkig maar, geen enkele komt tot bij ons. De nacht brengen we door in onze schuilplaatsen, smalle gangen waarin we uren lang als sardines samengeperst, zo dicht op elkaar zitten, dat we het er benauwd van krijgen. De 23-ste zetten we het werk voort tot zowat 6 uur ‘s avonds, wanneer we bijna klaar zijn komt er een bevel, ons bataljon wordt onmiddellijk verzameld, en verontrust gaan we op weg naar DIXMUIDE. We trekken weer door de ruïnes van KAESKERKE, de witte toren van de kerk brandt nog steeds en de vlammen werpen een onheilspellend schijnsel in de nacht. We maken lange marsen, van hier naar ginder, zonder duidelijke richtlijnen, tot we uiteindelijk bevel krijgen de troepen van DIXMUIDE te gaan versterken, we vertrekken in het midden van de nacht. Een salvo van schrapnels ontploft eensklaps boven onze hoofden, de manschappen springen hals over kop in de gracht weerszijden de weg en trachten er zo diep mogelijk in weg te kruipen. Na enkele tijd houdt het schieten op, en we vervolgen onze weg. Weldra zijn we vlak bij DIXMUIDE, we zoeken bescherming in de huizen en blijven er waakzaam, het wapen bij de hand, want we vormen de aanvalscolonne en mochten de Duitsers aanvallen dan wordt het vechten, bajonet op het geweer. Gelukkig waren ze verstandig genoeg om niet aan te vallen, of waren ze er niet toe in staat? Rond 4 uur ‘s morgens gaan we de kameraden aflossen. Om in de tranchées te geraken moeten we weer over de wankele brug, en het is op een rijtje achter mekaar dat we verder trekken, langs muren in puin, langs straatjes die vol liggen met puin en soms zelfs met lijken.. Voortdurend zijn we verplicht ons op de grond te werpen, gelijk waar of achter gelijk wat, omdat schrapnels van groot kaliber ontploffen. Op een bepaald ogenblik lijken ze ons weer te achtervolgen, en verschillenden van ons raken ernstig gewond. Na heel wat wederwaardigheden, en nadat we al kruipend door het park zijn geraakt kunnen we toch onze tranchées bezetten. De sukkelaars die door ons worden afgelost vertrekken in alle stilte terwijl wij onze stellingen innemen. In het diepe en geheimzinnige donker achter ons, verschijnen lange bloedkleurige slingers die weldra gevolgd worden door geweldige ontploffingen. Het zijn onze kanonnen die dood en vernieling spuwen op de vijandelijke linies. Nooit zal ik het luguber gefluit vergeten, het geknars van staal, het geluid van de luchtverplaatsing, bruisend als een stormachtige zee en dan daarna, in de verte, de formidabele ontploffing, het brengt me als in een roes, maar tegelijkertijd lopen de rillingen over mijn rug. Wanneer de ochtend van de 24-ste oktober aanbreekt en het wordt licht, kruipen we zo ver mogelijk weg in onze schuilplaats, we moeten er immers niet aan denken om welke reden ook buiten te komen. Alles moet op een steelse manier gebeuren, want hoog in de lucht worden we in de gaten gehouden door Duitse kabelballons. Het duurt niet lang voor het bombardement herbegint. De aarde beeft. Boven onze hoofden snorren de obussen zonder ophouden voorbij en ontploffen met oorverdovend lawaai hetzij in het park achter ons, hetzij in de stad. Eén ervan komt via het keldergat terecht in de kelder van een groot huis en ontploft er midden onze muzikanten die daar een schuilplaats hadden gezocht. Er vallen doden en ook vele gewonden. Wat ons betreft, wij blijven diep verscholen in onze loopgracht, sommigen observeren de vijand, anderen praten met mekaar of discussiëren maar bij niemand kan er een lach af. Onze enige bekommernis bestaat erin de horizon in het oog te houden in de richting van de vijand, en verder uit te kijken waar de obussen neerkomen. Soms zijn ze duidelijk voor ons bedoeld, dan krimpen we ineen, de rugzak boven ons, hopend dat het gefluit over onze hoofden heen zal gaan. Ongelooflijk wat al projectielen er achter onze stellingen gevallen zijn. Voor ons betekent het de dood, achter ons vernieling. Het veld tussen ons en het bos waar de vijand zich schuil houdt ligt bedekt met kadavers van dieren, koeien, paarden, varkens en schapen, soms ziet men zo een beest nog bewegen, er zijn zelfs een paar schapen die rustig aan het grazen zijn. Helaas! Ook die overlevenden zijn gedoemd te sterven. Er wordt ons niet de minste rustpauze gegund. Om 16 uur breekt een hevige aanval van de infanterie los, maar die wordt afgeslagen. En dan herbegint het bombardement, erger dan ooit. De ganse nacht, is het een opeenvolging van bombardementen van de loopgrachten en het omliggende terrein, gevolgd door aanvallen van de infanterie. Toch tekenen die aanvallen zich minder scherp af, ik heb eerder de indruk dat enige verwarring is ontstaan bij de leiding, en dat het minder gemakkelijk wordt om ze op gang te brengen. Na enige ogenblikken ontbranden ze dan toch, met een formidabel geweervuur over de hele linie, en dan volgt de stormloop. Elke aanval is tenslotte maar van korte duur, en telkens nadat hij is afgeslagen wordt het bombardement hernomen. In de uitvoering van deze operaties is er vanwege de vijand een merkwaardig coördinatie vast te stellen tussen het optreden van infanterie en van artillerie, onze manschappen kennen dat al zeer goed, van zodra er geen obussen meer vallen in de onmiddellijke omgeving van onze loopgrachten, weten we dat een aanval van de infanterie op komst is. Van zodra het bombardement ophoudt, breekt geweervuur los over heel de lijn, en naarmate de aanvalslijn naderbij komt, begint het geschreeuw van de stormloop. Hoe verder de nacht vordert, hoe minder regelmatig het geweervuur oplaait, het komt nu met kleine afzonderlijke pakjes, men voelt de twijfel. Wat de verdediging betreft wordt vrije hand gelaten aan de compagniecommandanten. De majoor heeft hen wel op het hart gedrukt, dat ze, eens de aanval afgeslagen, hun manschappen terug in de hand moeten krijgen, en hen moeten bevelen in salvo’s op de vijand te vuren. Vandaar dat ik me gerustgesteld voel telkens ik op een plaats die salvo’s hoor weerklinken, ik weet dan zeker dat de vijand op die plaats is teruggeslagen. Van het ogenblik af dat de salvo’s ophouden wordt het bombardement hernomen, en onze infanterie, diep in de tranchées teruggetrokken, laat begaan, er wordt toch maar weinig schade veroorzaakt, het is immers uiterst moeilijk om de dunne lijn van de loopgrachten precies te treffen. Het gebeurt maar zelden dat een vijandelijke obus op de loopgracht zelf valt, dan worden weliswaar een aantal manschappen bedolven en wordt de lijn even onderbroken. Maar al snel zet men zich aan het werk om de verbinding te herstellen en de ongelukkige slachtoffers uit de aardverschuiving te halen, ze worden dan soms enkele meters verder, achter de tranché begraven. Het is moeilijk de woorden te vinden om de heldendaden te beschrijven van onze soldaten in deze afschuwelijke omstandigheden. Men moet er daarbij rekening mee houden dat onze troepen die niet zo sterk waren een vijand tegenover zich hadden die een enorme massa aan infanterietroepen had ingezet en dus een verpletterend overwicht had. Onze troepen lagen daarenboven onder vuur van een omvangrijk geschut, zowel zwaar geschut als veldartillerie, en op steun van de eigen artillerie kon omzeggens niet gerekend worden, want die werd op afstand gehouden door de zware Duitse kanonnen waarvan de draagwijdte veel groter was dan van de onze. Achter onze linies staat DIXMUIDE in brand, het onophoudelijk bombardement heeft de huizen in de as gelegd. De straten zijn versperd, er ligt een zodanige hoop puin, dat zelfs een voetganger er niet meer door geraakt. Die toestand heeft voor gevolg dat de aanvoer van proviand en munitie sterk belemmerd wordt. Van achter het front heeft men al laten weten dat de munitiewagens de brug over de IJZER, op 1 km van onze stellingen, niet meer kunnen gebruiken. Er worden dus manschappen uitgestuurd om dwars door de stad patroontassen te halen, en gezien de grote hoeveelheid munitie die nodig is wordt dat een continu over en weer geloop. De aangevoerde munitie wordt eerst ondergebracht in een soort stal niet ver hier vandaan, en vandaar wordt ze verdeeld over de verschillende gevechtsposten door bevoorradingsagenten. We zijn nu de 25-ste oktober, en van af het opkomen van de dag wordt het bombardement in alle hevigheid hernomen. Met een verrekijker observeer ik de vlakte voor ons, hier en daar zie ik vijandelijke patrouilles en loopgrachten. Verder aan de rand van het bos zijn troepen te zien die er voorbij sluipen, ik meen zelfs een Duitse uitkijkpost op te merken die zich achter een schouw verscholen houdt. Op een gegeven ogenblik kan ik zien hoe een vijandelijke batterij licht geschut opgesteld wordt op ongeveer 1.500 m van ons vandaan. Ze beginnen te vuren, en de projectielen scheren rakelings over. We verwittigen onze eigen artillerie, maar die dient het vijandelijk geschut slechts zwakjes van antwoord, wat ons natuurlijk kwaad maakt. We konden helaas niet weten dat onze artillerie gebrek had aan munitie. De bevoorradingslijn vanuit ANTWERPEN is verloren gegaan, en de bevoorrading vanuit FRANKRIJK is nog niet echt op gang gekomen. En zeggen dat we met deze beperkte middelen toch stand hebben kunnen houden tegenover een aanval die zo intens werd voorbereid door een duivelse artillerie. Terwijl DIXMUIDE volledig ten onder gaat onder de obussen van kaliber 210 en 280 vind ik die dag toch nog de moed enkele aantekeningen te maken in mijn dagboek. Alles beeft hier, hemel en aarde … en de manschappen. In de lucht hangen voortdurend “mollen”, van daaruit trachten ze onze posities te bepalen, om ze dan aan te duiden door middel van witte vuurpijlen. Daarna duurt het niet lang voor een regen van schrapnels en obussen aantoont hoe goed ze ons wisten te vinden, en al gauw stijgt hier en daar klagend gejammer op van getroffenen. Om toch maar te kunnen roken gaan sommigen zover dat ze de biezen die als steun in de rugzak zitten in stukjes snijden en als vervanging van tabak gebruiken. Er zijn er die daar serieus ziek van worden, zo ook de enige luitenant die we hier nog hebben. Van dat ogenblik af begint voor ons een martelgang. We zijn totaal overspannen en zien geen mogelijkheid om op krachten te komen, zo verzwakken we steeds meer. Bevoorrading is onmogelijk geworden, onze keuken in DIXMUIDE is vernield door de obussen, we krijgen dus geen warm eten meer. En de vijand nadert. Zouden we niet worden afgelost? Helaas neen! Opnieuw moeten we wakker blijven en waken, de bajonet op het geweer, terwijl de “dikke zwarten” blijven neervallen. Er zijn van die moordende zware obussen gevallen in het park naast de weg naar KEYEM, niet ver van waar wij zitten, dikke bomen zijn er met één klap geveld, en er zijn enorme kraters geslagen met geblakerde wand. Obusscherven komen soms vlak voor onze voeten terecht, andere vliegen met onheilspellend gefluit over onze loopgrachten om zich een weinig verder diep in de vette aarde te boren. Er zijn blindgangers bij die zonder te ontploffen de grond ingaan. Een beklemmend gevoel nijpt ons dan de keel toe. Sinds geruime tijd reeds zijn onze drinkbussen leeg, de manschappen vergaan dan ook van dorst. De commandant vraagt daarom enkele vrijwilligers om wijn te halen in de stad. Samen met drie à vier makkers trek ik naar de stad. DIXMUIDE bevindt zich in een deerniswekkende staat: de straten liggen er open geploegd bij, vol met allerlei puin, de huizen vernield, zo leeg als een eierschelp. Wat zou er allemaal bedolven liggen onder dat puin? Zouden er overlevenden onder liggen, lijken, schatten, kunstwerken? Vanuit het puin komt de bloederige romp te voorschijn van een arme moeder, naakt, verscheurd, de ogen verdwaasd, het haar verwilderd, de tanden in een grijns opeengedrukt, alles aan haar lijkt wel een aanklacht tegen de Duitsers en hun hatelijke oorlog. Naast haar ligt een kind alsof het sliep. Wat al huizen zijn verwoest, meubels, tapijten, gordijnen, het ligt allemaal verspreid over de grond als na en plundering door barbaren. Als de vijand deze arme stad ooit zal veroveren, dan zal hij enkel maar puin in handen krijgen. In de hulppost van het rode kruis zie ik mijn gekwetste luitenant terug, hij ligt er tussen twee Duitsers, waarvan een niet anders doet dan klagen, de andere is nog een zeer jonge man, misschien een jaar of 17. Het zicht van mijn luitenant tussen die twee Duitsers geeft mij een naar gevoel. We geraken aan wijn en keren terug naar de loopgracht, daar brengt de uitdeling van de lekkere drank wat vreugde en de hoop herleeft. Elkeen neemt zijn dienst ten volle ter harte. Een beetje later is het de beurt aan mijn vriend JOB om samen met enkele anderen een nieuwe voorraad wijn en patronen te halen. Ze hebben heel wat minder geluk dan ik. Er vallen gekwetsten, van één kameraad worden de beide benen verbrijzeld, een andere heeft geluk gehad, de fles die hij in de hand had wordt door een kogel in scherven geschoten, hijzelf blijft ongedeerd. De nacht valt vol dreiging. Vooreerst heeft de vijand de tranchées overgoten met projectielen, en nu wordt de stad gebombardeerd om te beletten dat versterkingen zouden worden aangevoerd. De vijand komt te voorschijn uit het bos, en trekt op, iets rechts van ons, naar het kerkhof waar ons 2-de bataljon zich heeft ingegraven. Ook op het kerkhof zelf is een overvloed aan obussen gevallen. De graven zijn erg toegetakeld, en dat geeft aanleiding tot afgrijselijke beelden. Grafkelders en zerken liggen open, en wat een afgrijselijk zicht, de kisten zijn eruit gevlogen. Terwijl wij arme dompelaars als in een smeltoven ten onder gaan, wordt hier vertoond, wat nog nooit gezien is, levenden worden begraven en doden komen uit hun graf. Vanaf het ochtendgloren van de 25 oktober komen de Duitsers in dichte drommen vanuit het bos en lopen snel, het hoofd gebogen, in rijen van vier naar het kanaal dat zich tussen hen en ons bevindt. Er is maar één bruggetje over het kanaal, en via een kleine gracht naast de oever van het kanaal trachten ze over het bruggetje te geraken. Maar de onzen zijn waakzaam, en de enige mogelijke doorgang wordt overspoeld met moordend schroot. Het duurt niet lang of de brug is versperd door lijken die zich opstapelen, manshoog, het ene boven het andere. Maar ze blijven doorgaan, als vuile beesten, men kan dat geen mensen meer noemen, sluipen ze tot achter hun gevallen wapenmakkers, klimmen de berg lijken op, en vallen op hun beurt onder de kogels van onze mitrailleurs. Het gelukkigst zij nog diegenen die toch ontsnappen, ze laten zich in de gracht rollen, en met luide kreten werpen ze zich in de aanval, om zich dan toch te laten afschieten voor onze tranchée. Maar er komen er zoveel, en in zo een snel tempo dat er daar toch ook zijn die ontsnappen, en rechts van ons zijn er eveneens die kunnen doorstoten. Als bloeddorstige gekken, hebben aldus een 3 à 400 moffen onze linies doorbroken en nu zakken ze af naar DIXMUIDE, almaar schreeuwend als wilde beesten, in de hoop op die manier paniek te zaaien in onze rangen. Maar die wilde bende wordt gestopt ter hoogte van de brug over de IJZER door mitrailleurvuur van de onzen. Een heleboel sneuvelt onder de moordende vlaag kogels en komen in het water terecht, anderen maken snel een halve draai en verspreiden zich in groepjes. Zo komt het tot een vreselijke mensenjacht in de stad, met lijf aan lijf gevechten tussen de onzen en de Duitsers. Er worden krijgsgevangenen gemaakt, want er zijn er die zich in kelders hebben verscholen, en die, van zodra ze één van onze patrouilles zien, zich overgeven en met de armen trillend in de lucht om genade smeken. Maar zij die ook maar enige weerstand bieden, worden meedogenloos neergeschoten. Enige tijd later kunnen onze vooruitgeschoven wachtposten enkele vijanden gevangen nemen, het zijn de laatsten die aan het bloedbad ontsnapten en die nu al sluipend langs het kanaal trachten hun eigen linies te vervoegen. Ondanks alle moeite zijn de Duitsers er niet in geslaagd de IJZER over te steken, evenmin om onze weerstand te breken. Belgen en mariniers komen zegevierend uit het gevecht. De omgeving van onze loopgrachten ligt bezaaid met uitrusting en bewapening van de vijand, en op slechts enkele meters voor ons liggen de lijken in een hoop op mekaar. De soldaten gaan de zakken van de gesneuvelde vijanden doorzoeken, er wordt van alles gevonden, en dat bij de oversten gebracht. Sommige zaken, zoals geld, sieraden, horloges enz. .. die op de gevallen vijand gevonden werden, krijgen we terug, want het is dikwijls overduidelijk dat ze eerder geroofd werden van gevallen Belgen. Opnieuw komt de nacht ons toedekken, en zo komt gelukkig maar, een eind aan een vreselijke dag. Onze schildwachten nemen opnieuw, in de grootste stilte hun stelling in op de vooruitgeschoven posten, en dan wachten we op de kameraden die ons moeten aflossen. Onze voorraad is al lang uitgeput, en we krijgen niets meer te eten of te drinken. We worden nu echt bang.

Eindelijk dan, rond 11 uur komt een groep Senegalezen onze tranchées bemannen. Die dappere soldaten zijn zo stilletjes aangekomen, dat ze ons omzeggens verrasten. Het zijn allemaal grote struise kerels, in het duister zijn enkel hun blinkende ogen en hun witte tanden te zien. Wat zijn we gelukkig dat ze daar zijn. Ze zijn nauwelijks een half uur ter plaatse of ze worden al aangevallen door de vijand, zonder succes evenwel. De onverschrokken Senegalezen lopen de vijand tegemoet en drijven hem terug met bajonet en dolk. Wat ons betreft, we zijn wat blij er van af te zijn, en ondanks de vermoeidheid marcheren we met gestrekte pas naar achter. In DIXMUIDE heerst een doodse stilte. Het enige leven dat er in de rokende puinen te bespeuren valt komt van de aflossende troepen en van de brancardiers die gewonden afvoeren. We steken weer langs de wankele brug de IJZER over, en verwijderen ons, na nog een laatste blik geworpen te hebben op de puinhoop en de doden, het enige wat overblijft van de stad. Onderweg vertelt de majoor ons dat we nu op rust gaan, dat onze vlag gedecoreerd wordt met de orde van Leopold, het woord DIXMUIDE zal er in gouden letters op geborduurd worden.

Zaterdag 24 oktober1914

Om 4u zijn we op. Het is nog nacht, en in alle stilte trekken we op naar de stad die nog altijd onder zwaar artillerievuur ligt. De straten zijn akelig verlicht door de brandende huizen. Op korte afstand achter ons ontploffen met luide knal alles verwoestende granaten. Het begint nu licht te worden. We moeten stelling nemen in de stad zelf. Veel tijd hebben we niet nodig om een deur in te beuken en het huis te bezetten. De kelders worden onderzocht, en er wordt gedronken. Sommigen kennen daarbij geen maat en na enige tijd zijn ze stomdronken. Inslaande granaten doen omliggende huizen instorten. Men gaat in de buurt op zoek naar eten en ook naar andere dingen.

Het huis nevens het onze is door een granaat getroffen. Het was de woning van een dokter, een groot huis, rijk gemeubeld. Alles ligt er onderste boven, een vreselijk zicht. Ik neem enkele boeken mee, wat geneesmiddelen en zakjes verband. We werden vandaag niet bevoorraad, geen eten, geen drinken! Ik heb enkele rauwe eieren gegeten, wat droge pruimen en wat halfgezouten rauwe ham.

Rond 5u30 vraagt men manschappen van ons peloton ter versterking van de 3e compagnie. Twaalf man, waaronder ikzelf, melden zich aan. Zwaar geweervuur verplicht ons al onmiddellijk dekking te zoeken in een huis. Langs het kanaal, waar alle bomen door het geschut zijn weggemaaid, gaan we uiterst omzichtig tot bij de loopgrachten achter de stad. We zien de stad branden. In de eerste lijn waar we nu zitten, woedt een hevig gevecht. Daarstraks kwam ik langs een plaats waar er een granaat was ingeslagen in de loopgracht zelve. Iedereen mijdt die plaats, alleen bebloede rugzakken en stukgeslagen geweren blijven er achter. Er wordt maar weinig geschoten deze de nacht. Gisteren nog had hier een zware aanval plaats.

Vrijdag 23 oktober 1914

We hebben onze loopgrachten verder afgewerkt. Vandaag heb ik een nieuwe aanvraag gedaan om opgenomen te worden in de geneeskundige dienst. Gisteren en eergisteren hebben in DIKSMUIDE straatgevechten plaats gehad. Voor het ogenblik vormen wij de 2e reserve. Bij het vallen van de duisternis gaan we op weg. We worden nu de 1e reserve. In CAESKERKE zoeken we onderdak in verlaten huizen op de weg naar DIKSMUIDE. Kanongebulder en geweervuur houden ons wakker.

Donderdag 22 oktober 1914

We zijn laat opgestaan vandaag. Om 7u hebben we rustig ontbeten, we hebben ons gewassen zoals het hoort, en om 9u30 zijn we weer op weg gegaan. We besluiten naar DIKSMUIDE te gaan langs LAMPERNISSE, OUDEKERKE en CAESKERKE. Onderweg vernemen we dat het 12e zich in OUDEKERKE bevindt, en rond de middag kunnen we ons regiment vervoegen.

Na de middag worden we aan het werk gezet om loopgraven en abri’s aan te leggen. ‘s Avonds vernemen we van de commandant de laatste nieuwsjes. Een Franse brigade met  zware  artillerie  zou  aangekomen zijn. Ook zou MONS door onze troepen ingenomen zijn (hoe is dat mogelijk? Ik geloof er niet veel van!). We waren natuurlijk wel zonder nieuws sedert 14 dagen.

Gedurende een paar uur neemt de vijand onze artillerie, die 300 à 400 m. verder ligt, onder vuur. We letten er niet eens meer op. Ze hebben ook een  nabijgelegen hoeve in brand geschoten. We brengen de nacht door in de loopgrachten. Van slapen komt niet veel in huis wegens de koude, en overigens klaagt iedereen over pijn in de heupen.