Maandelijks archief: januari 2016

Maandag 31 januari 1916

Tegen de avond aan is de boot in de haven binnengelopen. Donderdag of vrijdag vaart hij weer af naar KONGOLO. Hij heeft een hele vracht goederen meegebracht, maar ook 2 à 3 passagiers die via ELISABETSTAD terugkeren naar Europa, (de gelukzakken!).

De zon schuift achter de bergen in een prachtige zonsondergang en zet daarbij de stroom in een rode tot purperen gloed.

Zondag 30 januari 1916

De hall van de spoorwegmaatschappij ligt er verlaten bij, het is zondag en dus wordt er vandaag niet gewerkt. Het centrum van BUKAMA is gelegen op een kleine verhevenheid van het reliëf, men heeft die genivelleerd door de rotsen te laten springen met dynamiet. Er is een postkantoor, een winkel van de “inter tropical”, en een reeks kleine huisjes voor het spoorwegpersoneel. De spoorlijn loopt langs het laagste deel van de kom die BUKAMA eigenlijk vormt, men heeft er een belangrijke post willen van maken aangezien BUKAMA het eindpunt is van de spoorlijn ELISABETHSTAD – BUKAMA, en tevens de aanleghaven voor de boten van de lijn BUKAMA – KONGOLO. Na een aantal vruchteloze pogingen – het klimaat was te bar slecht – werd uiteindelijk besloten de post over te brengen naar SANKISHIA. Ik kan niet rap genoeg weg zijn uit deze droevige streek.

Intussen breng ik mijn vrije tijd door met werken in het klein kamertje opgetrokken uit plaatijzer waarin ik mijn intrek heb genomen, het is gelegen naast dat van Dhr. REMACLE, administrateur van KIKONDJA.

De “ménagères” spelen in Congo zo een belangrijke rol dat ik niet mag nalaten het er hier even over te hebben. Het zijn bijzitten, en de meesten mannen hebben er zo een. Er zijn mannen die smoor verliefd zijn geworden op hun “ménagère”, ze besteden er een hoop geld aan. Die dames kopen ontelbare stukken stof waarmee ze zich dan uitermate gracieus weten te tooien. Eigenlijk doen ze door hun levenswijze nog het meest denken aan de courtisanes uit de oudheid. Meestal voeren ze helemaal niets uit, als er water voorradig is nemen ze meerdere malen per dag een bad, ze kletsen met hun vriendinnen, gaan samen met hen op stap, en … bedriegen hun “man”. De prostitutie is alom verspreid, geslachtsziekten als syfilis en druiper zijn schering en inslag, enkele geneesheren wisten mij te vertellen dat bijna al hun blanke patiënten drager zijn van een of andere venerische ziekte. “Vuile hoer” is een scheldnaam die hier veelvuldig wordt gebruikt. De zwarten hebben overigens op dat gebied een ongelooflijk rijke woordenschat.

Zaterdag 29 januari 1916

Het is hier een ongezonde streek met veel moerassen en meren. Voor het eerst zie ik de CONGOSTROOM (200 m. breed). Vroeger lagen er voorspoedige negerdorpen langs de oevers, maar tegenwoordig heeft de slaapziekte alles weggemaaid tot in KIKONDJA en zelfs daar voorbij. Het is zeer warm en zwoel. Deze namiddag neemt Dhr. ORBAN die mij bij het eerste deel van mijn reis erg heeft geholpen, afscheid. Hij zal de LUALABA oversteken en Westwaarts trekken naar KABINDA.

Al sinds mijn aankomst in ELISABETHSTAD, heb ik last van een hardnekkige hardlijvigheid. Ik heb al calomel en sulfaten geslikt, en nu probeer ik een sterke dosis ricinusolie. Ik ben er deze nacht wat ongesteld van geweest (duizeligheid).

Fig. 34. Moeras met beek.
Fig. 34. Moeras met beek.

Vrijdag 28 januari 1916

Deze namiddag vertrekken we per trein naar BUKAMA. Daar kan ik dan volgende maandag de stoomboot nemen naar KOGOLO, waar ik dan de daarop volgende zaterdag zal aan komen. We zijn geïnstalleerd op een open goederenwagen. Om 8u30 komen we aan. We vinden onderdak in een huis van de spoorweg, ons vriendelijk ter beschikking gesteld door Dhr. BARDUTCHI.

Donderdag 27 januari 1916

Na een mars van 2u30 zien we bij het verlaten van het woud, het lazaret van SANKASHIA voor ons liggen. We vinden er Dr. VAN HUMBEEK, die ons met open armen ontvangt. Enkele huisjes in plaatijzer, opgetrokken door de missie RODIN, zijn gegroepeerd in een kleine agglomeratie die de observatiepost voor de slaapziekte uitmaakt (er zijn 50 à 60 zieken van allerlei aard). We bevinden ons hier op 700 m. boven de zeespiegel, dus 1.000 m. lager dan in CHILONGO.

Zoals waarschijnlijk elke kolonie, is onze CONGO een uiterst curieus land: afgezien van de geruchten, de roddels, de kwaadsprekerij en de ingebeelde jachtverhalen, hoort men hier de meest onmogelijke geschiedenissen, meestal van een verfoeilijke immoraliteit. Voor wie hier pas toekomt lijken de mensen er zich op een bizarre manier te gedragen, soms overmatig uitbundig, met rare en veelal extravagante ideeën. (Er is iemand, die nochtans maar sinds twee jaar in CONGO verblijft, die mij al lachend het volgende verhaal deed: wanneer hij gans alleen in de brousse reisde, dan trachtte hij zich zelf te foppen, hij vroeg aan zichzelf of hij per toeval niet ergens anders, op een andere plaats was, en  … dan ging hij naar die plaats kijken of hij daar ja dan nee was!!!!)

Het gaat hem hier niet om een alleenstaand geval. Men kan er zeker van zijn dergelijke achterlijken te ontmoeten: is dat omdat men in elke kolonie allerlei soorten van mensen tegenkomt, of heeft het klimaat, of de levenswijze er mee te maken? Ongetwijfeld spelen deze factoren een belangrijke rol. (denken we maar aan : kleermakers voor dames, bepaalde intieme scènes, homoseksualiteit …)

Woensdag 26 januari 1916

We marcheren gedurende 5 uur, en op 1 uur van SANKISHIA houden we halt. De streek hier is maar weinig geheuveld, met in het woud prachtige open plekken en van tijd tot tijd kleine moerassen. Het stikt hier van de tseetseevliegen, een echte plaag. Wanneer men zo uren aan een stuk doorheen deze absolute stilte marcheert blijft de geest geweldig actief, steeds weer spoken er gedachten  doorheen,  men  denkt  aan  de oorlog, aan de enorme blunders die de geallieerde hebben begaan in de DARDANELLEN, een morele ramp die in de islamitische wereld zware gevolgen zou kunnen hebben, aan de BALKAN waar men gelukkig de GRIEKEN heeft kunnen lijmen (denken we maar aan SALONIKI), aan de zogenaamde neutrale landen, die zoals o.a. NEDERLAND, op een schandalige manier profijt trekken uit de oorlogsomstandigheden 100 miljoen fr. winst per jaar naar het schijnt. Men denkt ook aan DUITS OOST-AFRIKA, dat we nog dit jaar hopen in te nemen, en waar ik waarschijnlijk dan nog een jaartje zal doorbrengen tot het einde van de oorlog. Meer dan goed is denk ik aan mijn terugkeer naar EUROPA, aan het ontschepen in ANTWERPEN, aan de thuiskomst in BRUSSEL … Het idee daaraan alleen al brengt me in een soort roes. Ik denk ook aan het spaarpotje dat ik zal kunnen maken door de dienst hier en dat van pas zal komen bij het verder zetten van de studies, ik reken toch wel op 10.000 fr. voor de resterende 2 jaar, en tegelijkertijd schrik ik een beetje bij die gedachte, omdat tot nog toe het pecuniair aspect als bijkomstig werd beschouwd.

Deze avond kunnen we  genieten van enkele smakelijke antiloopkoteletten, het beest werd deze namiddag door één van de dragers gedood.

Fig. 33 Dragers doorheen moeras.
Fig. 33 Dragers doorheen moeras.

Dinsdag 25 januari 1916

Vandaag doen we een etappe van drie uur. Een kleine prauw (een uitgeholde boomstam), brengt ons eerst naar de overkant van de KALOULE. Sinds ons vertrek hebben we altijd al geluk gehad met het weer. ‘s Avonds doorklieven formidabele bliksemschichten de zwaar bewolkte lucht, maar ‘s morgens is het meestal goed weer, niet te warm. We bevinden ons nu op 6 uur van SANKISHIA, het doel van onze reis. Omdat we de dragers niet willen afmatten besluiten we de afstand in twee dagen af te leggen.

Maandag 24 januari 1916

Vandaag hebben we een etappe van 4u30 te doen tot KINIMA-KALENGA. Bij het verlaten van KITENTA lopen we langs enkele maïs aanplantingen die bijzonder mooi staan. Het schijnt hier uiterst vruchtbare grond te zijn. De rest van de dagreis gaat doorheen heel hoog gras, anders dan in het woud is het pad hier nauwelijks terug te vinden. Wat doet het deugd een goed bad te kunnen nemen na zo een etappe! Twee dagen reeds komen dragers zich regelmatig laten verzorgen voor hun verwondingen. Ze zijn oprecht komiek, er was er één bij die heel triestig was omdat ik in plaats van jodoform, dat een sterke geur heeft en dus in zijn ogen zeker een heel goed middel moet zijn, gebruik maakte van een vochtig verband! De “capita”, dat is hun korporaal heeft mijn boy gevraagd hoeveel de schaar die ik gebruik wel niet moet hebben gekost!

 

Op 24 januari 2015 schrijft Paul Kenis, kozijn van Dr. Martens hem een brief vanuit St. Adresse in Frankrijk, waar hij in dienst is van de Belgische regering die daar verblijft.

Het is niet duidelijk wanneer Dr. Martens die brief ontvangt.

De originele tekst volgt hierna.

 

Le Havre, 24 sten Januari 1916

 

Mijn beste René,

Gisteren heb ik uwe kaart ontvangen die gij op 31 sten December nog uit Kaapstad hebt verstuurd: ruim drie weken eer zoo’n kaart hier aankomt! Jongen, ik kan mij altijd nog maar moeilijk voorstellen dat gij nu ginder zoo omtrent aan de antipoden moet zitten. Op het ogenblik dat ik u nu schrijf moet gij reeds midden in Katanga zitten, en als gij m’n brief ontvangt … wie weet hoeveel verder wij dan alweer zijn … als mijn brief je tenminste bereikt, want in de tegenwoordige omstandigheden en met die verre afstanden kan men nooit weten.

In ieder geval, schrijf me van tijd, dat ik weten zou hoe het je gaat en hoe het er ginder zoo al uitziet. Te oordeelen naar de kaart die je mij uit Kaapstad hebt gezonden zag het er ginder wel ene mooie landstreek uit, maar ginder in Katanga zal het alweeer gansch wat anders zijn.

Een paar dagen geleden heb ik een brief van Lize Berends ontvangen met een brief uit Destelbergen; thuis gaat alles goed, ten minste zoo goed als het in de tegenwoordige omstandigheden gaan kan; het leven is er erg duur maar iedereen wacht geduldig betere tijden af. Het was eenigen tijd geleden sedert zij nog nieuws uit Hall ontvangen hadden, maar toen ging ook daar alles nog goed. Hebt gij nog sedert langen tijd nieuws van huis ontvangen; gij weet dat gij steeds langs Lize Berends kunt schrijven om te probeeren langs dien kant eenig nieuws te vernemen. Van uw regiment heb ik nog geene brieven voor u ontvangen; mocht er iets komen zal ik het u natuurlijk onmiddellijk verzenden. Ik stuurde je ook nog eene kaart achterna naar het hotel te Londen, doch ik weet niet of je ze op tijd zal ontvangen hebben daar de brieven hier wegens de censuur soms verscheidene dagen op de post blijven liggen. Misschien heeft men ze u ook achterna gezonden.

Hier gaan de dagen langzaam voorbij, steeds dezelfde, zonder nieuws en zonder merkbare verandering in den toestand; men verveelt zich, men hoopt en wacht; zal het voor dit jaar zijn, voor de Lente of tegen den Winter. Zoo langzamerhand geraakt men aan zijn toestand gewend, maar het verlangen naar huis, naar Brussel, naar zooveel dingen die ons lief zijn, blijft er niet minder levendig om. Jongen, jongen! Hoeveel gaf ik er nu niet om, om eens eene tas koffie met je te kunnen drinken in den Moka, of in de Augustins, of nog eens een “jamboneau te gaan eten in den Clarenbach. En dan al die heerlijkheden van den Boulevard du Nord of van de Nieuwstraat; het is eerst sedert dezen oorlog dat wij eindelijk hebben leeren kennen hoeveel wij toch van ons Brussel hielden. Nu, jongen, mochten wij elkander ginder eindelijk maar eens weerzien.

Sedert een paar dagen ben ik nu wat door het grootste gedeelte van mijn werk heen, zoodat ik u voortaan wat meer zal kunnen schrijven. Tot nu toe had ik het hier zoodanig overlast, dat ik er mijne briefwisseling dikwijls moest bij achterlaten. En het zal je ginder ook wel genoegen doen van tijd tot tijd wat nieuws te vernemen. Binnen enkele dagen verschijnt er van mij de vertaling van een nieuwe brochure “Pages de Gloire” die ik u ook zal opzenden. Laat mij weten of ik u verder nog met iets genoegen kan doen?

Nu, hartelijk tot weerziens

Uw toegenegen

Paul

Zondag 23 januari 1916

Terwijl Dhr. ORBAN op de achterblijvers wacht vertrek ik al om 8 u. We trekken door een uitermate mooi landschap, met steeds en overal een zee van groen. De streek is sterk heuvelachtig met smalle steile paadjes. Uiteindelijk dalen we af naar KITENTA, waar we om 11u30 aankomen.

Pas drie uur later komt Dhr. ORBAN aan. De laatste drager, (één van hen die 44 kg. dragen in plaats van de gebruikelijke 25 kg. en dat om zo 5 pagnes te verdienen in plaats van 2) komt volledig uitgeput toe om 8 u. ‘s avonds. Dit systeem waarbij de dragers meer gewicht dragen dan normaal is niet aan te raden, het vormt een voortdurende bron van moeilijkheden voor de reiziger.

‘s Avonds speelt zich een pittoresk schouwspel af, de mannen scharen zich om een klein vuurtje, en al die zwarte kerels maken grof plezier onder mekaar, ze lachen luidruchtig, maken wat ruzie, zingen urenlang slechts enkele zelfde noten en vallen uiteindelijk in slaap.

Zaterdag 22 januari 1916

De achterblijvers hebben de nacht doorgebracht in het kamp van MONTA, op zowat twee uur hiervandaan. De eersten komen hier aan om 8u30. Om 9 u. zet ik mij op weg met een eerste groep van dragers. Het is de bedoeling om door te stoten tot in KITCHNOU. We volgen het tracé van de spoorlijn, en onderweg steken we een rivier over op de schouders van de dragers. We trekken door een heel mooi landschap, al zijn we wat geblaseerd door de eentonigheid van elke dag. Weldra komen we langs een eerste dorp van inboorlingen dat slechts uit enkele hutten bestaat. Het gebied is maar dun bevolkt, dat komt omdat de streek zo goed als niets opbrengt. De dragers die voor de vorm kreunen als ze hun last moeten oppakken, lopen met een ongelooflijke soepelheid over de smalle paadjes. Tegen de middag zijn we op onze bestemming. Ik geef bevel de tenten op te slaan. Zoals elke dag krijgen we ook nu weer een flinke vlaag stortregen te verwerken. Het leven van de zwarten in hun hutten is te vergelijken met ons leven in de loopgraven, al moet ik zeggen dat het hier meestal wel properder is. De inboorlingen brengen hun tijd door met het puntvormig afvijlen van hun tanden, die ze poetsen na elke maaltijd (ze eten hoofdzakelijk meelballen van koren of maïs, ook wel in het wild geplukte snijbonen of andere wilde planten). Ze besteden ook veel tijd aan het verzorgen van hun uiterlijk waarbij de ene de andere zijn haar krult of afscheert, verder maken ze muziek(!), dat doen ze door zes à zeven latjes die op een plankje zijn bevestigd met de toppen van de vingers te doen trillen, in enkele zeldzame gevallen gebruiken ze een wat luxueuzere  uitvoering  van  dat  instrument, het  is  dan voorzien van een klankkast. Enkele van hen komen naar me toe voor verzorging van verwondingen, insectenbeten of tekenbeten.

Fig. 32. Zwarte vrouw met kinderen voor hun hut.
Fig. 32. Zwarte vrouw met kinderen voor hun hut.